Alef, Beet en Gimmel

(Uit: Dasberg,I., Gebeden voor het Nieuwjaarsfeest)

Een Joodse ma’sjal, een gelijkenis over identiteit en gebed.

 Alef, Beet en Gimmel

Er was eens een koning, Alef genaamd. Hij had twee zoons: prins Beet en prins Gimmel. Beide prinsen hadden een heerlijk leventje aan het hof. Ze waren altijd in de buurt van hun vader, kregen en deden alles wat ze wilden. Kortom: een prinsheerlijk bestaan.

Eens achtte koning Alef de tijd gekomen een nieuw element aan de opvoeding van zijn zoons toe te voegen. Hij zond ze weg uit de hoofdstad Dawoek naar de verre provincie Moevdal, waar eenvoudige en onontwikkelde mensen woonden. De beide prinsen moesten daar voor zichzelf zorgen en proberen de inwoners wat beschaving bij te brengen. Koning Alef hoopte dat zijn zoons hierdoor zelfstandiger zouden worden en hun karaktereigenschappen ontplooien. Het afscheid was moeilijk, zowel voor de vader als voor de zoons. ‘Zouden de prinsen de proef doorstaan?’ vroeg de koning zich af. En van hun kant was het voor Beet en Gimmel een vraag of zij erin zouden slagen hun taak te volbrengen en tegelijkertijd, zo ver van het hof, hun prinselijke waardigheid te behouden.

In het verre Moevdal aangekomen gingen de prinsen meteen aan de slag. Binnen korte tijd hadden ze zich het plaatselijke dialect eigen gemaakt. Ook hun eenvoudige kleding vergemakkelijkte het contact met de bevolking. Toch school er een gevaar in deze uiterlijke gelijkheid. De kans was groot dat Beet en Gimmel langzamerhand hun koninklijke afkomst zouden vergeten.               Prins Gimmel onderkende dit gevaar niet. Hij had plezier in zijn werk, dacht steeds minder aan het ouderlijk hof en hield in het geheel geen rekening met het feit dat hij eens weer door zijn vader zou worden teruggeroepen. Hij paste zich steeds meer aan de nieuwe omstandigheden aan; van de vervulling van zijn taak kwam niets meer terecht en tenslotte bleef er van Gimmels vroegere prinselijke beschaving niets over. Gimmel was een echte Moevdaller geworden.

Met Beet ging het anders. Uiterlijk leek hij misschien een Moevdaller, maar innerlijk bleef hij een prins van Dawoek. Beet had de gevaren wél onderkend. Om te ontkomen aan het lot van Gimmel nam Beet iedere dag de gelegenheid waar een paar minuten de ogen te sluiten en in gedachten naar het koninklijk hof terug te keren. Hij zag zich in gesprek met zijn vader, luisterend naar diens wijze raad, diens genegenheid voelend. Hij zag zichzelf in zijn prinselijke gewaden, dwalend door de zalen van het koninklijke slot. Een hunkering kwam over hem Moevdal te verlaten, naar Dawoek terug te keren, dicht bij zijn vader te zijn. Maar tegelijkertijd besefte hij, dat hij juist zijn vaders wens vervulde door in Moevdal te blijven. Als hij in deze verre provincie zijn taak naar behoren vervulde was hij eigenlijk ‘dichter’ bij zijn vader dan wanneer hij zonder taak in Dawoek zou zijn. Wanneer Beet na deze overpeinzingen de ogen opende, zijn blauwe boerenkiel zag en zijn werklaarzen, dan voelde hij zich gelukkig, wetende dat hij nog steeds – en ondanks zijn uiterlijke omstandigheden – een prins was. Hetgeen duidelijk te merken was in zijn daden en gedrag.

Ingestuurd door Riny Joustra