Altijd overal

Eind van het jaar. Aan de deur een keurige jongeman. Welbespraakt maar niet drammerig. Om met mij over de juiste energieleverancier te praten. Normaliter ben ik gauw klaar met zulk bezoek. Waarom weet ik niet, maar deze keer stond ik open voor een gesprek. In mijn spreekkamer kwam het tot een informatieve uitwisseling. Hij was er niet op uit me te overrulen. Luisterde naar m’n argumenten, nuanceerde, gaf ontbrekende informatie. Nee, ik was niet óm, bleef bij m’n groene leverancier. Ik liet hem uit. “Shalom”, zei hij voorzichtig bij de deur. Op mijn vragende blik lichtte hij toe, “ik zag zoveel in uw huis, dat naar m’n eigen roots verwees – een Davidsster in uw tuinontwerp, een mezoeza  aan de deurpost, een chanoekakandelaar … dat ik een herkenning probeerde”.

Hij bleek, zoals hij het zelf noemde, praktiserend Joods. “Hóe praktiserend?”, vroeg ik, “Liberaal, orthodox, zionistisch…”. “Hebt u even, het is een heel verhaal?”. “Kom dan nog even binnen…”. Het familieverhaal. Nederlander met de Nederlanders; behalve dan ál die namen die nog altijd in de familie de ronde doen. Namen van mensen, die voor z’n ouders gezichten hebben, maar waar de familietak werd afgekapt in de oorlogsjaren. Z’n vader – al niet zo jong meer – had het kamp als kind overleefd. Het had lang geduurd voor hij aan een gezin had durven beginnen, enz, enz. Over z’n eigen plek tussen de mensen. De aarzeling, iets van je identiteit prijs te geven. De kracht en het zelfbewustzijn ook, die hij aan die identiteit ontleende. Ontroerend relaas. Geweldige vent. Hij was weg toen ik me realiseerde: ik weet niet eens hoe hij heet. Hè, wat jammer.

Zomaar aan de deur, op een willekeurige dag in december.

“Leuk boekje gekregen van Sinterklaas”, zei m’n vrouw. “Lees het ook maar even, zo dik is het niet”. De appel in het paradijs van Sonja Barend. Een titel die terugkeerde in één van de losse verhaaltjes uit het boekje. Ze vertelt er hoe ze, met haar man, de architect Abel Cahen, beiden behorend bij de risicogroep de Coronatijd doorkomt. ‘… de kinderen bellen elke dag en kopen lekkerder koekjes bij de banketbakker dan wijzelf bij de supermarkt bestellen, voorzien ons van versgebakken appeltaart en blauwe bloemen waar ik zo van hou. Niet te stillen knuffelbehoefte, als de appel in het paradijs. Ervan eten vond ik toen al stom toen ik zes was’. Ze knuffelt dus niet, concludeer ik.  Maar er is meer. Zij is dus als kind ook opgevoed met verhalen uit de bijbel, denk ik en google even op m’n telefoon. Sonja Barend, die opgroeide als Sonja de Groot. Nadat ze hoorde hoe haar biologische vader, David Barend die zij nooit gekend had want ze was twee toen hij overleed, in 1943 in Auschwitz was omgebracht besloot ze zijn achternaam weer tot de hare te maken. Ze werd de koningin van de Talkshow, zoals Adriaan van Dis haar eens typeerde. Waar zou ze die vaardigheid hebben opgedaan? Was het thuis? Tijdens de vrijdagavondmaaltijden? Ik weet het niet. Maar nadat ik in 2018 in Jeruzalem een sabbatavond te gast was bij een Joodse familie, de plechtigheid van het welkom heten van de sabbat meemaakte en de gesprekken daarna, ben ik er van overtuigd dat een wekelijkse uitwisseling als deze tussen tafelgenoten een geweldig vormend element moet zijn. De verschillen van mening, de discussies, de argumenten, de moed om te botsen – het leek wel op ruzie soms – en tóch te weten: er is iets dat en Iemand Die ons samen bindt. Een gevoel van gezonde jaloezie bekroop me.

De onbekende energie-colporteur en zo’n boekje van Sonja Barend – ik kan er niet om heen. Altijd en overal weet ik ‘onopgeefbaar verbonden’. En ik voel me er bevoorrecht mee.

Jan Gerrit Zomer