Joden en christenen

Over knooppunten in het gesprek tussen Joden en christenen.
uit: het Ouderlingenblad april 2014
door: Dick Pruiksma

Hoe staan we tegenover elkaar? Zijn jodendom en christendom nauw verbonden of gaat het om twee verschillende godsdiensten?

Een wereldwijd gesprek
Onlangs was ik getuige van een opmerkelijk misverstand. De Internationale Raad van Joden en Christenen (ICCJ, International Council of Christians and Jews) houdt in 2014 zijn internationale conferentie in Buenos Aires. De Argentijnse leden van de voorbereidingscommissie bleken bezwaren te hebben tegen het gebruik van het woord ‘interreligieus’. De dialoog tussen Joden en christenen is toch geen gesprek tussen afzonderlijke religies, inter-religieus? Wij zijn toch familie van elkaar, groeiend aan dezelfde wortel?, aldus onze Argentijnse vrienden.
Maar vooral de Joodse leden van de groep hielden vast aan hun standpunt: jodendom en christendom zijn twee verschillende religies. Oplossing van het probleem? Een compromis: het woord ‘interreligieus’ wordt weggelaten!

Familie of niet? Rome, Geneve en nog weer anders 
Met dat misverstand is een eerste lijn te trekken in het wereldwijde joods-christelijke gesprek. De theologische visies op de verhouding tussen Joden en christenen verschillen en de posities van de christelijke gesprekspartners worden mede door die verschillen bepaald. Je herkent de verschillen in theologische visie aan de manier waarop de kerkenfamilies de joods-christelijke relatie in hun organisatorische structuur een plek geven.
Zo onderhoudt de ICCJ uitstekende contacten met de Vaticaanse Commissie voor de Religieuze Betrekkingen met het Jodendom. Die commissie ressorteert onder de Raad voor Christelijke Eenheid. Daaraan kun je al twee dingen aflezen. Ten eerste ziet de Rooms-katholieke Kerk de joods-christelijke betrekkingen in het kader van de eenheid van de christenen. Dus toch familie? Vervolgens: het gaat de kerk in de dialoog om religieuze betrekkingen. De politiek komt elders aan de orde. Het Vaticaan is immers ook een zelfstandige staat die met Israël diplomatieke betrekkingen onderhoudt. Er wordt verschil gemaakt tussen jodendom en (de staat) Israel. En in de religieuze betrekkingen ligt de nadruk op de verbondenheid van beide godsdiensten. Al willen veruit de meeste Joden niet graag onder het opschrift ‘christelijke eenheid’ vermeld worden.
Ook met de Wereldraad van Kerken wordt door de ICCJ intensief contact onderhouden. Net als de Vaticaanse commissie heeft ook de Wereldraad de status van waarnemer binnen de ICCJ. Maar hoe anders is hier de inbedding van het joods-christelijke gesprek. In Geneve ressorteert het joods-christelijke gesprek onder ‘interreligieuze dialoog en samenwerking’. Jodendom en christendom worden gezien als twee verschillende religies en hun betrekkingen zijn – kort door de bocht – minder religieus van aard als wel gericht op praktische samenwerking.
In dat andere grote deel van de christelijke oecumene, de Oosters-orthodoxe kerken, liggen de verhoudingen weer geheel anders. Ook al kreeg de ICCJ ooit in Istanbul de volledige medewerking van oecumenisch patriarch Bartholomeus, het is heel moeilijk gebleken om het gesprek met de orthodoxie continuïteit te verlenen. Ook dat heeft een ‘organisatorische’ achtergrond. De orthodoxe kerken zijn per land of regio zelfstandig. Zonder twijfel speelt daarnaast ook een rol dat veel christenen in het Midden-Oosten van orthodoxe huize zijn. En de politieke verwikkelingen in die regio hebben niet echt een positieve invloed op het geloofsgesprek. Maar misschien moet je vooral zeggen dat de omkeer die de westerse kerken hebben gemaakt van zending naar dialoog, in het oosten doorgaans niet is voltrokken.
Een eerste conclusie kan zijn dat tussen de grote kerkenfamilies verschillen zijn in visie op de relatie met het jodendom. Tussen afstand(elijkheid) en nabijheid is het soms moeilijk het evenwicht te bewaren. In de internationale contacten is vaak de ervaring ingebracht die we lange jaren geleden opdeden toen de Generale Synode van de toenmalige Gereformeerde Kerken het joods-christelijke gesprek in de kerkorde een geheel eigen plaats toekende. Niet onder zending maar ook niet onder oecumene. De relatie is er een van geheel bijzondere, unieke aard. De eigenheid en zelfstandigheid van beide gesprekspartners moet volledig worden gerespecteerd. Dat is een voorwaarde om tot dialoog te komen.

Nog een misverstand?
Tijdens een intensieve uitwisseling met de Kairosgroep van Palestijnse christenen kreeg de ICCJ delegatie ooit een niet gering verwijt om de oren. Ook tijdens latere ontmoetingen met andere Palestijnse christenen werd ons herhaaldelijk gezegd dat westerse christenen het gesprek met het jodendom zijn aangegaan uit schuldgevoel. De Holocaust vond in het westen plaats en elke theologie die zich bekommert om het gesprek met het jodendom een unieke plaats te geven, is in de kern van de zaak post-Holocaust theologie. Theologie als gesublimeerd schuldgevoel. Nu westerse christenen zich bewust worden van de benarde situatie van de Palestijnen, wordt het tijd om ons van ons schuldgevoel te bevrijden en de relatie met het jodendom als een vorm van politieke theologie te bedrijven.
Omdat ik volkomen begrip heb voor de benarde Palestijnse situatie, is het moeilijk om dit forse verwijt te beantwoorden. Deze gesprekken bleken vaak de moeilijkste. Want natuurlijk heeft en had de Holocaust invloed op de joods-christelijke dialoog. Hoe zou het anders kunnen? Maar daar blijft het zeker niet bij. In het gesprek met het jodendom dat wij vandaag ontmoeten, hebben we geleerd de Schriften anders te verstaan. De kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland zegt: de kerk zoekt het gesprek met Israël inzake het verstaan van de Heilige Schrift. (KO art. I-7.) Er is nog een lange weg te gaan voordat we alle vruchten van de dialoog kunnen delen met christenen die leven binnen andere culturele en politieke horizonten.

Zending of gesprek 
Dit voorbeeld uit onze contacten met Palestijnse christenen brengt ons op het spoor van opnieuw een grote lijn die te trekken is in het veld van de internationale joods-christelijke betrekkingen: de scheidingslijn tussen ‘zending’ en ‘dialoog’. Je zou kunnen denken dat zending onder Joden vooral noodzakelijk wordt geacht wanneer het jodendom als een andere religie wordt gezien waarvan de aanhangers tot hun heil gered moeten worden. Terwijl omgekeerd een dialogische verhouding tot het jodendom meer zou passen bij christenen die Joden als hun religieuze verwanten beschouwen.
Maar soms is niets minder waar. Hier lopen de posities in elkaar over. Er zijn richtingen in de kerken die de Joden omarmen als ‘Gods oude volk’ maar intussen met tot het christendom bekeerde Joden pronken als zijnde de echte Joden. Het jodendom komt dan tot zijn bestemming in de christelijke kerk. Met deze theologische houding gaat vaak een politieke ondersteuning van de staat Israël gepaard. Terwijl aan de andere kant van het kerkelijke spectrum de vervreemding van en afstand tot het jodendom zo groot zijn geworden, dat de religieuze dialoog als niet meer ter zake doende terzijde wordt geschoven. Jodendom en Israel vallen ook nu samen. Maar dan onder een negatief voorteken. De uitersten raken elkaar.
Het heeft veel moeite gekost maar de Protestantse Kerk in Nederland heeft officieel afscheid genomen van de zending onder Joden. Ook binnen de ICCJ en zijn lidorganisaties, bijvoorbeeld het Nederlandse OJEC, zijn alleen die instellingen welkom die zending onder Joden hebben afgezworen. Laten we ons niet vergissen, dit is voor Joden een heel gevoelig punt. Natuurlijk zijn hier ook kanttekeningen te plaatsen. Wat op officieel niveau is besloten, wordt op minder officieel niveau niet altijd meebeleefd. Zeker. Er is in de praktijk van het kerkenwerk nog veel te doen.

Nog een begrippenpaar
Afstand en nabijheid, dat was de eerste grote lijn die we trokken. Zending of gesprek, was het begrippenpaar dat zich daarbij voegde. En natuurlijk moeten ook uitdrukkelijk de begrippen ’religie’ en ‘politiek’ aan de orde komen. Dit zijn in grote lijnen de drie begrippenparen waarbinnen de kerkelijke relaties tot het jodendom zich bewegen. In Nederland en ver daar buiten. Steeds spelen deze drie begrippenparen op de achtergrond een rol. Maar de samenstellende delen ervan zijn in afwisselende intensiteit in de joods-christelijke dialoog aanwezig. Met name de politieke situatie rond Israël en Palestina heeft de laatste jaren grote invloed op de joods-christelijke betrekkingen. Het kost veel moeite om de negatieve gevolgen van de politieke situatie een juiste plek te geven. Dat ligt niet altijd aan de christelijke gesprekspartners. Binnen de ICCJ valt op dat al onze Israëlische vrienden bijna zonder uitzondering actief zijn in die organisaties die streven naar verzoening, gerechtigheid en vrede. Joodse gesprekspartners van buiten Israël zijn meestal defensiever ingesteld.
De uitgangspunten kunnen echter duidelijk zijn: het recht van bestaan van de staat Israël staat natuurlijk buiten kijf. Dat zou er ook nog bij moeten komen. Maar kritiek op de totaal verstarde politieke verhoudingen in Israël is niet alleen gerechtvaardigd, het is soms nodig. Vraag onze Israëlische vrienden maar. En tegen onze Palestijnse vrienden zeggen we soms dat het tijd is om de rol van slachtoffer op te geven en actief te handelen in de eigen samenleving om ook daar verzoening, gerechtigheid en vrede gestalte te geven. Religie of politiek? In de internationale joods-christelijke dialoog hebben we geleerd dat de gesprekskansen toenemen wanneer er zoveel vertrouwen is gegroeid dat godsdienstige, ideologische loopgraven verlaten kunnen worden. Opdat het (internationale) recht zijn loop kan hebben.

De kunst van het evenwicht 
Het bureau van de ICCJ is gevestigd in het Duitse Heppenheim, in het huis waar van 1916 tot 1938 de joodse geleerde Martin Buber woonde. Dialoog is een sleutelwoord in Martin Buber’s werk. Dialoog tussen ‘Ich und Du’, tussen jou en mij. Dialoog is ook de bestaansreden en de werkmethode van de International Council of Christians and Jews. Simpelweg omdat dialoog de enige weg is die mensen tot elkaar brengt.
Dat betekent dat je in de dialoog steeds naar een verstandig evenwicht zoekt, al is dat evenwicht in verschillende situaties van verschillend soortelijk gewicht. Het betekent ook dat de gesprekspartners elkaar ontmoeten zonder verborgen agenda’s. Bijvoorbeeld van bekering. Ze zullen elkaar beoordelen naar de beste indrukken die ze van de ander hebben. En ze zullen jaloers zijn op de rijkdom die de ander met zich meedraagt. En ja, vaak valt het tegen om een hernieuwd evenwicht te vinden.
Maar soms valt het erg mee!

Ontmoeting of geen ontmoeting?

Pleidooi voor oprechte gesprekken en ontmoetingen in de gemeente.
uit: het Ouderlingenblad april 2014
door: Marieke den Hartog

Voor mij begon de ontmoeting met Israel in de persoon van rabbijn Yehuda Aschkenasy, zijn nagedachtenis zij tot zegen. Dat was in 1975 aan de Utrechtse theologieopleiding. Hij was een gedreven leraar van de Joodse traditie.

Kerk en Israël in de gemeente
Bij Aschkenasy was je in een college bezig met bijbelstudie en pastoraat, filosofie en liturgie, geschiedenis en spiritualiteit. Alle verschillende vakken van de theologie werden dankzij hem een organisch geheel. Niet gescheiden, maar verbonden.
We bestudeerden het Hebreeuws van de Bijbel, maar ook dat van het Joodse gebedenboek, en dat van Talmoed en Midrasj. En natuurlijk, als we de Joodse bedding van het Nieuwe Testament bestudeerden, dan kwam het Grieks op tafel. Samen met de artikelen van zijn Israëlische vriend en leraar David Flusser, de Joodse Nieuwtestamenticus in Jeruzalem van wie hij zoveel geleerd had en nog steeds leerde. Als overlevende van de Sjoa zette Aschkenasy zich gepassioneerd in voor een nieuw leerproces van christenen met betrekking tot het Jodendom. Het christelijke antisemitisme zou met wortel en tak uitgeroeid moeten worden. Een nieuwe christelijke identiteit was volgens hem mogelijk: een identiteit waarin Jezus niet als ‘held’ tegenover zijn Joodse gesprekspartners (de ‘antihelden’) zou worden afgezet. Jodendom en christendom niet tegenover elkaar, maar naast elkaar, beide ontstaan uit en blijvend gevoed door de Hebreeuwse Bijbel en door de God van Abraham, Isaak en Jakob. Gaandeweg realiseerde rabbijn Aschkenasy zich dat zijn specifieke roeping lag op het gebied van Joodse traditie onderwijzen aan christelijke theologiestudenten.
Als studenten merkten we dat hij ieder van ons volstrekt serieus nam, ook al stonden we nog maar aan het begin van onze studie. Voor hem was dit de enig mogelijke levenswijze, verplichtend voor hemzelf, verplichtend ook voor ons, zijn leerlingen, die het voorrecht hadden met hem om te gaan. Ook al was dat soms bepaald niet gemakkelijk, want zijn verwachtingen van ons waren hoog gespannen…

Israël 
Twee en een half jaar studeerde ik vervolgens in Jeruzalem. Ik wilde goed modern Hebreeuws leren, maar ook meer leren over de Joodse bedding van het vroege christendom. David Flusser, Shmuel en zijn dochter Channa Safrai brachten mij een eind verder op dit pad. Ook wilde ik het Jodendom leren kennen in het enige land met een Joodse meerderheid, zonder mijn ogen te sluiten voor de politieke realiteit. Met een Joods-Arabische studentengroep leidde ik zomer 1982 een zomerkamp voor Joodse en Arabische schoolkinderen in de buurt van Haifa. Het was de zomer van Sabra en Sjatila: een massamoord van christelijke(!) falangisten op Palestijnse vluchtelingen in twee kampen in Libanon. Deze gruweldaad was niet mogelijk geweest zonder de indirecte betrokkenheid van Ariel Sharon, destijds minister van defensie. De tranen en de woede hierover van een Palestijnse vriend in mijn Jeruzalemse kamer zal ik nooit vergeten.
Des te wonderbaarlijker was het, dat dit Joods-Arabische zomerkamp toch doorgang vond. Doorgaan met het vredesproces alsof er geen terreur was, en de terreur bestrijden alsof er geen vredesproces was. Dat gebeurde op het grondvlak toen al, lang voor Rabin deze woorden tot fundament van zijn vredespolitiek zou maken.
Ik had in die tijd vriendschappen zowel aan Joodse als aan Palestijnse zijde. Daarom wist ik dat eenzijdige solidarisering nooit recht zou doen aan het geheel van de complexe situatie.

September 1993 – Vredesakkoord
In september 1993 werd dan eindelijk een eerste vredesakkoord ondertekend tussen Israel en de Palestijnen. Rabin en Arafat ondertekenden in Washington de Oslo-akkoorden. Hun handdruk onder het toeziend oog van president Clinton staat in ons collectieve geheugen gegrift: hier werd een aloude vijandschap omgezet in een partnerschap. Vooral aan Palestijnse kant was er een enorme euforie. Zij hoopten dat ze binnen enkele jaren een eigen staat Palestina, naast Israel, zouden hebben. Helaas liep het anders.

September 1993 – Studieseminars
Precies in deze maand kwam ik in dienst bij de Hervormde Raad voor de Verhouding van Kerk en Israel als theologisch beleidsmedewerker. In de periode 1967-1992 had de Hervormde Kerk een eigen theologisch adviseur in Jeruzalem gehad. Aanvankelijk was die bedoeld als ‘luisterpost’: om direct te horen wat er in Israel speelde en van daar uit leiding te geven dan wel mee te doen aan de theologische reflectie op het belangrijke thema ‘Kerk en Israel’ in Nederland. Misschien was dit, achteraf bezien, wel een onmogelijke opdracht: werkelijke ontmoetingen in Israel en de Palestijnse gebieden en daar in een heel andere kerkelijke en maatschappelijke situatie over moeten reflecteren. Ik zou dat niet gekund hebben. Maar de toespitsing van de nieuwe functie was dan ook heel anders: studieseminars organiseren naar Israel en de Palestijnse gebieden. Voor predikanten, voor theologiestudenten, voor Kerk-en-Israëlkader, voor deelnemers aan de voortgezette cursus Theologische Vorming Gemeenteleden. Het waren allemaal onvergetelijke reizen met voor de deelnemers onvergetelijke ontmoetingen. Ze hadden dezelfde bedoeling als destijds mijn studietijd in Israel: kennismaking met het pluriforme Joodse leven in Israel, maar ook met de Palestijnse bevolking in Israel en de bezette gebieden. Door al deze persoonlijke ontmoetingen liet je het wel uit je hoofd om in zwart-wit schema’s te gaan denken. Polarisatie is onmogelijk voor wie zich echt in een kwestie verdiept heeft. Theologische reflectie zou wat mij betreft dus nooit welke polarisatie dan ook kunnen dienen.

Wie wil je ontmoeten?
Al deze ontmoetingen (of het gebrek daaraan) gaan aan iedere theologische reflectie vooraf. Deze ontmoetingen bepalen daarom ook, soms onbewust, onze theologische reflectie. Heb je de oorlog meegemaakt en had je voor de oorlog misschien een Joods vriendje of vriendinnetje dat niet terugkeerde? Heb je zelf Joodse voorouders en wil je op zoek naar dat deel van je geschiedenis en identiteit? Heb je ooit als vrijwilliger in een kibboets gewerkt en ben je gefrustreerd geraakt door het verdwijnen van de Zionistische idealen en de afkalving van het vredesproces? Of heb je, op grond van je verstaan van de Bijbel, sympathie opgevat voor de groot-Israelgedachte en heb je daarom contacten ontwikkeld met de Joodse kolonisten in Palestijns gebied? Of ben je juist contacten gaan zoeken met Palestijnse christenen die, tegen alle verdrukking in, hun eigen bevrijdingstheologie ontwikkelen?
Al deze persoonlijke ontmoetingen zullen verschillend vertaald worden, zowel in theologische als in politieke zin.

Verbondenheid: een relatiewoord
In de nieuwe kerkorde van de Samen-op-wegkerken ging het over onze ‘roeping tot het gestalte geven aan de onopgeefbare verbondenheid met Israel’ (artikel I,7)
Waar hebben we het dan over? Verbondenheid is een relatiewoord. Maar welke relatie met Israel is er feitelijk? Hoeveel wordt er geïnvesteerd in deze relatie? Hoeveel wordt er geïnvesteerd in de relatie met de Joodse gemeenschap in Nederland? Vanuit mijn recente bestuurswerk voor het OJEC kan ik zeggen: niet veel. Want in een daadwerkelijke relatie word je tegengesproken en blijkt het soms lastig aan je eerder ingenomen standpunten vast te houden. Je moet soms, in een diepgaande discussie, je mening herzien. Hoeveel wordt er geïnvesteerd in de relatie met relevante vertegenwoordigers van de staat Israel in Nederland? Is er sprake van een uitgewerkte meervoudige verbondenheid, in de richting van Israel en de Palestijnse? En zo ja, welke effecten heeft dit op de gesprekspartners? U ziet: wat voor een persoon geldt, geldt ook voor de kerk als geheel. De afkalving van het vredesproces heeft geleid tot een afkalving van onze aanvankelijke bewondering voor de realisering van de Zionistische droom: de grondvesting van de staat Israel in 1948.

Heilloze polarisatie 
In de feestbundel voor Simon Schoon heb ik beschreven dat vele christenen de spanning tussen het Bijbelse ideaal van Israel en de harde werkelijkheid van Israel en de Palestijnse uiteindelijk niet uithouden: zij sluiten simpelweg de ogen voor een deel van de werkelijkheid. Zo zie je alleen wat je wilt zien, lees je alleen wat je wilt lezen, en ontmoet je alleen diegenen die jou in je standpunten bevestigen. Dit leidt tot een heilloze polarisatie, die uiteindelijk ter plekke schade kan berokkenen.

Ontmoetingen in verbondenheid?
Precies vanuit onze feitelijke en toch zo verschillende verbondenheid met Joodse en Palestijnse gesprekspartners is de theologische reflectie voor de landelijke kerk vaak heel lastig. Ik heb in de zestien jaar dat ik voor het werkveld Kerk en Israel gewerkt heb (1993-2008) helaas te weinig gezien dat er door de kerkleiding echt geïnvesteerd werd in kwalitatief hoogwaardige en duurzame relaties. Ook werden de twee werkvelden van Kerk in Actie en Kerk en Israel ten onrechte te veel uit elkaar gehouden, waardoor een echte diepgaande gezamenlijke reflectie niet mogelijk was.
Mijn blijvende leermeester in dit alles is de grote Joodse filosoof, Bijbelgeleerde en zionist Martin Buber (1878-1965). Zijn filosofische hoofdwerk Ich und Du (1923) zou eigenlijk verplichte kost voor ieder gelovige moeten zijn. Hierin legt Buber het verschil uit tussen een ik-het en een ik-jij relatie. Alleen in een ik-jij relatie wordt de ander niet tot middel, tot instrument van mijn eigen belangen gemaakt. Alleen in een echte ik-jij relatie kan het ‘eeuwige Jij’ van de Goddelijke aanwezigheid doorschemeren.
Uiteindelijk zou het onze kerk niet om een theologische standpuntbepaling moeten gaan, maar om echte ‘ik-jij’ ontmoetingen en echte verbondenheid. Zulke ontmoetingen gun ik onze kerk, onszelf, met Israel en al haar bewoners: Joden, christenen en moslims. Met Israëli’s en Palestijnen. Verscheurende dilemma’s, soms ook hoopvolle perspectieven. Echte theologische reflectie kan alleen vanuit die meervoudige verbondenheid. Als de kerkleiding dat zou beseffen, zou ze kunnen uitdragen dat onze standpunten alleen in voorlopigheid kunnen worden geformuleerd.

In gedenken schuilt verlossing

Toespraak voorafgaande aan de onthulling van het joodse monument aan de Noordersingel te Assen, 30 september 2012

door ds. Geert Hovingh

onthulling van het joodse monument aan de Noordersingel te Assen, 30 september 2012“Vergeten is ballingschap, gedenken is verlossing” , woorden die worden toegeschreven aan de grote joodse wetgeleerde Baal Shem Tov, (‘Meester van de Goede Naam’) en die vaak worden geciteerd op bijeenkomsten als deze. Toepasselijke woorden, zeker, maar onderhand zijn ze ook wel een beetje sleets geworden, en dan te bedenken dat de Meester het feitelijk nooit zo gezegd heeft. Ik vond het oorspronkelijke chassidische verhaal en dat gaat zo: “Eens vroegen de Chassidiem aan Baal Shem Tov waarom hij steeds op hun vragen antwoordde met een verhaal. Ze verwachtten niet anders dan dat hij ze ook nu weer iets zou vertellen, maar dat gebeurde niet. Na een moment van liefdevol verwijlen – het staat er zo prachtig in het Engels: ‘after a loving and lingering pause’ – zei hij: ‘in gedenken schuilt verlossing’.Dat oorspronkelijke woord heb ik gekozen als titel voor mijn toespraak. En ik zal u uitleggen waarom. Wij gedenken vandaag operev Soekot – de dag vóór Loofhuttenfeest – het hartverscheurende feit dat op 2 oktober 1942 – dat was Hoshanna Rabba’, de 7e en laatste dag van Soekot – ruim 230 joodse stadgenoten van hier zijn weggevoerd naar Westerbòrk. En vandaar werden de meeste van hen samen met de ruim 150 mannen en jongens die in de werkkampen verbleven binnen een paar dagen – hooguit enkele weken – gedeporteerd naar Auschwitz. Ik heb het nagezien in ‘de lijst van gedeporteerden’ die Jan Ridderbos met heel veel waardevolle informatie heeft ondergebracht op de site www.joodsebegraafplaatsassen.nl en daaruit blijkt dat in Auschwitz voor het einde van 1942 al bijna 250 joodse inwoners van Assen om het leven waren gebracht. Dat gedenken we vandaag, zoals dat natuurlijk ook al eerder is gedaan, deze zomer nog, bij de plaatsing van de eerste ‘struikelstenen’ en nog eerder met de plaatsing van de monumenten op de joodse begraafplaats en in de Groningerstraat. En ook vandaag wordt een monument onthuld, tegen ‘de muur die alles zag’, vlak bij het voormalige schoolplein van ‘School nr. 1’ aan de Noordersingel waar die nacht honderden onschuldige mensen werden samengedreven om ‘als slachtvee te worden afgevoerd’ (schrijft Jacques Presser) ‘Schuldig landschap’, dus zoals de kunstenaar Armando het ooit noemde, en dat vlak naast het huidige stadhuis. Dat was het al zeventig jaar, maar het is nu dan eindelijk zo aangemerkt en dat is goed. Dat helpt – die paar letters tegen de muur doen dat – om dat onvoorstelbare (een uitdrukking van H.W. van der Dunk) in ons persoonlijke en collectieve geheugen te bewaren. Want te lang is er weg gekeken – daarmee zeg ik niets nieuws, anderen zoals de schrijver Marcel Möring, deden het vóór mij – en nog zijn er genoeg die vinden dat dat gedenken nu eindelijk maar eens op moet houden. Het is geschiedenis allemaal, na zeventig jaar, interessant nog voor de liefhebbers. Niet meer dan dat. Een onverdraaglijke gedachte, alleen al om het feit dat er nabestaanden leven voor wie het nooit meer overgaat, de herinnering aan dat onvoorstelbare, het grote gemis, ook nog na zeventig jaar. Dat is wel bijzonder: zeventig jaar duurde n.l. de ballingschap van het volk Israël in Babylon, daarna vierde het zijn bevrijding, na een tweede uittocht. Dat dit voor ons als gemeenschap een begin van verlossing mag zijn, gedenken dat duurt ook voor de komende generaties.

‘Het onvoorstelbare van 2 op 3 oktober 1942, dat verhaal wil ik nu vertellen, de loop der gebeurtenissen , daardoor geweven de verhalen van mensen, overlevenden, ooggetuigen. De uitvoering van het plan om het Noorden van Nederland in één ‘schlagartige Aktion judenfrei zu machen’ was al veel eerder ingezet, zeker vóór juni 1942, toen alle mannen van 18-55 jaar naar werkkampen werden gedirigeerd. Die wilde men er kennelijk niet bij hebben op het moment dat hun vrouwen en kinderen en zelfs de ouderen van huis zouden worden gehaald om met hen voor de ‘Arbeitseinsatz’ naar Duitsland ‘abgeschoben zu werden’. Ik gebruik hier en daar bewust het jargon zoals de nazi’s dat hanteerden, het speelde een grote rol in de strategie van misleiding en bedrog die toen werd gehanteerd. Een voorbeeld: NB nog op 17 september 1942 schrijft Mr. Lobstein, de hoofdvertegenwoordiger van Drenthe in de centrale Joodse raad in Amsterdam aan zijn ondervertegen-woordigers in de provincie dat hem geen gevallen bekend zijn van mensen boven de zestig die voor ‘Arbeitseinsatz’ naar Duitsland zijn uitgezonden. Maar hij adviseert wel om rekening te houden met de mogelijkheid, vanwege gezinshereniging! In de week voorafgaande aan de razzia werden alle joodse inwoners van Assen middels een circulaire op de hoogte gesteld van het naderende vertrek en kregen ze adviezen hoe ze zich daarop het beste konden voorbereiden: men moest ‘de dikste winterkleding en stevige bergschoenen aantrekken’, alle toegestane bezittingen (waaronder tefillin, kleine tallis en choemosj) moest men in een rugzak meenemen en liever niet in een koffer. Want het mocht niet te zwaar worden. Citaat: men moet rekenen met de mogelijkheid dat er mee gemarcheerd moet worden’. En alle kleding moest natuurlijk gemerkt worden. Enig Duits geld was ook wel handig en verder diploma’s, getuigschriften en bewijzen van militaire verdiensten. Houdbaar voedsel voor drie dagen moest apart worden meegenomen omdat de rugzakken in een goederenwagon zouden worden vervoerd. En’in het kamp worden maaltijden verstrekt’. Zo werd de verwachting gewekt dat het misschien toch nog wel mee zou vallen. De werkelijkheid bleek gans anders.

Vrijdagavond na spertijd (20.00 uur) begonnen Nederlandse politieambtenaren met het ophalen van de mensen. Jan Ridderbos heeft de daartoe opgestelde lijsten voor een deel terug gevonden bij het NIOD met een blanco-standaard formulier dat door de hoofdbewoner moest worden ingevuld met naast de op te geven persoonsgegevens de vraag ‘Ist die Wohnung inventarisiert? Ja oder Nein? Wenn ja: wann? Eigene Wohnung oder Untermieter? Schlüssel nr. …. befinden sich…..” De meeste mensen waren voorbereid en lieten zich lijdzaam naar de ‘Sammelstelle’brengen.

Zo Josua en Kaatje Cohen met hun elfjarige zoon Moos, van de Oosterparallelweg 69. Daags tevoren had Cohen een rieten koffertje afgegeven bij zijn vrienden, de familie Tuinstra aan de Burgemeester Jollesstraat. ‘Er zit een vlag in’, had hij gezegd, ‘en die vlag moeten jullie uitsteken als we terugkomen’. Die vlag is altijd bewaard door de familie en zal straks gebruikt worden bij de onthulling van het monument. Vader Pieter Tuinstra, die actief was in het verzet, werd overigens op 12 oktober 1944 gefusilleerd buiten kamp Westerbòrk.

Ook het gezin van Marcus Denneboom, te weten moeder Naatje Denneboom-Nathans en haar beide kinderen Carry en Bram, werden van huis opgehaald, dat wil zeggen op het adres waar ze toen woonden: Rolderstraat 5. Vader Marcus, die zich blijkens het dag- en nachtrapport van de politie op maandagmorgen 19 juli 1942 met 28 andere mannen had gemeld op het station om naar een werkkamp te worden gebracht, was ooit eigenaar van ‘Het Stoffenhuis’ aan de Marktstraat 19. De avond voor die juli was men bijeengekomen in de synagoge waar opperrabbijn Levisson met klem had geadviseerd niet onder te duiken. Vanaf 1936

tot het moment waarop de zaak van Denneboom onder ‘Verwaltung’ werd gesteld werkte daar een jonge vrouw als coupeuse, Jantje Eggink uit het dorp Westerbòrk. Ze raakte bevriend met Carry en die schreef een gedicht in haar poëziealbum. Ik heb het hier en gaat zo: “Als je later es als grootmama/ Zitten zult naast grootpapa/ Denk dan eens met veel geluk/ Aan de schrijver van dit stuk/ Ter herinnering aan Carry Denneboom”. Op de linker-pagina staat in de vier hoeken geschreven: “Ver- geet mij niet”. En dat heeft Jantje niet gedaan, vertelde mij haar dochter, beeldend kunstenaar Johanna Nijlunsing uit Glimmen. Ze schrijft aan Carry in een postume brief “Meer dan zestig jaar geleden nadat jij het hebt geschreven vroeg ik mijn oude moeder of ze jouw versje nog eens wilde lezen. Plotseling las ze het zomaar drie keer hardop voor! Ik was verbluft en we zwegen allebei ontroerd’. Johanna verzamelde allerlei gegevens over de familie Denneboom en de uitkomst daarvan inspireerde haar tot het prachtige kunstwerk dat hier vandaag mag staan: vier delen van een dubbel doorgezaagde boomstam, met op de binnenzijde de namen van Carry Denneboom, haar ouders en broertje Bram. En bovenop de vier delen de woorden ‘Ver- geet mij niet’. Dank je wel, Johanna.

Maar er moeten zich ook hartverscheurende taferelen hebben afgespeeld. Nettie Lezer – zij overleefde Auschwitz en Bergen-Belsen en keerde als enige joodse inwoner van Assen uit de kampen terug – vertelt dat haar moeder die avond nog zelfmoord probeerde te plegen door de oven aan te zetten. Ze kon het ternauwernood voorkomen. Anderen kregen een zenuwinzinking en moesten acuut in ‘Licht en Kracht’ worden opgenomen. Enkelen van hen wisten met hulp van anderen te ontkomen aan de vernietiging.

Zo redde bakkersknecht Geert van Wijk niet alleen Ido Wolf uit het ziekenhuis, maar hielp hij eerder op de avond van de razzia Suus Zilverberg ontkomen en bracht hij later de uit kamp Westerbork ontsnapte Jenny Stern in veiligheid. Als enige van de drie is zij hier vandaag aanwezig. Ook Suus Bolt-Zilverberg was genodigd, maar moest er vanwege haar broze gezondheid – ze is 91 – vanaf zien. Zij was de enige, die op 2 oktober 1942 het vege lijf wist te redden en daarom vertel ik kort haar wederwaardig-heden. Suus was afkomstig uit Dalen waar haar vader een schildersbedrijf runde. In september kwam ze naar Assen om te helpen in het gezin Nathans, Rolderstraat 109, goede vrienden van haar tante. Die avond werd er aangebeld; de familie vroeg of zij wilde opendoen. Daar stonden drie agenten die direct doorliepen en de familie sommeerden om hun spullen te pakken en mee te komen. In de paniek die vervolgens uitbrak wist Suus via de achterdeur te ontkomen en liep daar in de armen van Geert van Wijk. Die overreedde haar om te vluchten. Ze klom achter op de fiets bij hem en samen wisten ze als een verliefd stelletje vervolgens alle controles te omzeilen en Geerts ouderlijk te bereiken. Ze zou de oorlog overleven al is ze nog twee keer bijna opgepakt ten gevolge van verraad. Haar ouders, zus Betje en broer Jacob kwamen om in Auschwitz, net als de gehele familie Nathans en vele, vele anderen.

Die nacht reden vrachtauto’s af en aan om zoveel mogelijk mensen in spertijd naar Westerbòrk te brengen maar er was kennelijk veel oponthoud, want ook uit veel andere plaatsen kwamen auto’s vol mensen naar het kamp. Gevolg was dat er ook op de vroege zaterdagochtend nog mensen moesten worden opgehaald. En zo kon het gebeuren dat een jongen van 13, Jan Boneschansker (ook hij was er graag bij geweest vandaag, maar zijn gezondheid liet het niet toe) getuige was van de laatste transporten. Hij schrijft: ‘Die morgen was ik toevallig bij school. Wat ik toen meemaakte heeft een onuitwisbare indruk gemaakt’. Hij zag dat het op het schoolplein nog een drukte van belang was en herkende tussen de menigte nog een aantal klasgenoten. Vervolgens zag hij hoe een aantal oudere mensen, die kennelijk niet vlug genoeg instapten, door een Duitse soldaat naar binnen werden geslagen. Jan zei: toen ik dat zag wist ik gewoon dat het niet goed zou komen met die mensen. Ik wist het gewoon.

Jan kreeg gelijk. Uit berichten van overlevenden weten we dat de nieuwkomers – niet alleen de mensen uit de dorpen en steden, maar ook de mannen uit de werkkampen – belandden in een helse omgeving. Het kamp was overvol, Op zeker moment waren er meer dan 17.000 mensen, terwijl er maar accommodatie was voor 10.000. Aan alles was gebrek: slaapplaatsen, voedsel, sanitaire voorzieningen, mensen raakten elkaar kwijt in de drukte, sommigen stortten in, het was vreselijk. Uiteindelijk werd het deportatie-programma opgevoerd en vertrok er om die 3 à 4 dagen een transport naar Auschwitz. Alleen al in de maand oktober vertrokken bijna 12.000 mensen uit Westerbòrk, onder hen vrijwel alle joodse inwoners van Assen. Het onvoorstelbare was gebeurd: Jan Ridderbos heeft becijferd dat tussen de 386 en 389 joodse Assenaren niet zijn terug gekeerd. Dat hun namen bij ons in gedachtenis mogen blijven en mogen hun zielen gebundeld zijn in de bundel der levenden.

Paulus – In je roeping blijven

Over Paulus’ universele regel voor alle gemeenten.

Inleiding

Bij de herdenking van 500 jaar Reformatie in 2017 zullen in het theologisch gesprek ongetwijfeld de brieven van de apostel Paulus een belangrijke rol spelen. De reformatoren beriepen zich immers vooral op Paulus’ geschriften. En niet alleen zij. Ook de traditie die uit hun initiatieven is ontstaan ontleent veel van zijn geloofsgoed aan Paulus. We geven daarom in deze bijdrage aandacht aan een centraal gegeven in Paulus’ denken, aan de enige regel die hij uitvaardigde voor al zijn gemeenten, de ecclesiai. We bestuderen 1 Corinthe 7: 17-24. We gebruiken de vertaling in de Naardense Bijbel.

Structuur

Opvallend is de geleding van de tekst waarbij de universele regel tot drie maal toe onder de aandacht wordt gebracht:

vs 17:   Zoals God een ieder heeft geroepen,
zó moet hij wandelen.
En zó gebied ik in alle gemeenten.
vs 20:   Ieder in roeping waarin hij werd geroepen,
laat hij daarin blijven.
vs 24:   Ieder waarin hij was toen hij werd geroepen…
laat hij daarin blijven voor God.

Vers 24 dient als afsluiting van het geheel. De beide eerste keren dat de regel wordt gegeven, horen we eerst een praktische toepassing ervan a die vervolgens theologisch wordt gemotiveerd (B):

vs 18:   (A) Is iemand als besnedene geroepen
dan moet hij dat niet weer laten overtrekken;
is iemand met een voorhuid geroepen,
dan moet hij zich niet laten besnijden.
vs 19:  (B) De besnijdenis is niets
en het hebben van een voorhuid is niets,
alleen het houden van Gods geboden.

vs 21:   (A) Werd je als dienstknecht geroepen (?)-
laat je dat niet deren,
maar als je ook een vrij man kunt worden,
gebruik dan liever die kans;
vs 22:  (B) want wie als dienstknecht
door de Heer geroepen is,
is een vrijgelatene van de Heer;
evenzo wie als vrije werd geroepen
een dienstknecht van Christus.
vs 23:   Gij zijt gekocht en betaald,
wordt geen dienstknecht van mensen.

De eerste praktische toepassing is sociaal-etnisch van aard. Het gaat over Joden en niet-Joden in de gemeenten. De tweede toepassing van de universele regel is sociaal-economisch. Hier gaat het om de verhouding van slaaf en vrij man. Wanneer we die beide toepassingen van Paulus’ universele regel nader bezien, zijn er meerdere zaken ter overweging:

  1. Het lijkt erop dat Paulus niet van zins was om maatschappelijke veranderingen te              bewerkstelligen. Ieder moest blijven in de staat waarin hij/zij geroepen werd. Dat is de hoofdregel. Hebben we enig idee waarom?
  2. Heeft het te maken met zijn opvatting van tijd? Paulus was er immers van overtuigd dat de eindtijd begonnen was. (Zie bijv. 1 Thess. 4: 15-17) Zijn er daarom belangrijker zaken om je druk over te maken? Nou ja vooruit, als het niet anders kan, verander dan van maatschappelijke status. Maar alleen dan! (1 Cor. 7 : 9)
  3. Of heeft het (ook?) te maken met de samenstelling van de ecclesiai, de gemeenten? Ingebed als zij waren als een associatie in de grieks-romeinse maatschappij van Paulus’ dagen, zou het immers maatschappijontwrichtend kunnen werken wanneer de gelijkwaardigheid die er in de ecclesiai (“in Christus”) is, ook maatschappelijk wordt gepraktiseerd. Jammer maar helaas voor Onesimus wanneer hij van Filémon níet de kans krijgt om vrij man te worden. (zie vers 21b en de brief aan Filémon).
  4. Trouwens, waarom blijven hier de vrouwen buiten beeld die o.a. in Galaten 3 : 28 nadrukkelijk wel worden vermeld?
  5. Een andere mogelijkheid is dat naast de eerder genoemde ook theologische overwegingen een rol spelen. Zou het niet een ontkennen zijn van de fundamentele gelijkwaardigheid van ieder mens voor God, wanneer je de staat van je roeping zou veranderen? Wanneer jouw staat van leven goed genoeg is voor de Eeuwige, waarom dan niet voor jou?

Joden en niet-Joden.

In dit digi-leerhuis richten we ons vooral op de eerste praktische toepassing van de universele regel. In 1 Corinthe 7: 18 gaat het over de verhouding van Joden en niet-Joden “in Christus”. Wanneer ieder in zijn roeping moet blijven, dan kan dat niet anders betekenen dan dat Joden, ook “in Christus”, Jóden blijven en dus als leden van de ecclesia geroepen zijn de geboden te onderhouden. Omgekeerd zijn niet-Joden welkom “in Christus” zonder door de besnijdenis bij Israël te zijn ingelijfd. Dus ook zonder de verplichting om alle geboden te doen. Kortom: ook “in Christus” blijven de socio-ethnische verschillen bestaan. Ook rond deze constatering doemen belangrijke vragen op.

  1. Hoe universeel is het heil volgens Paulus? Geen mens is rechtvaardig (Rom. 3: 11) maar desalniettemin wordt heel Israël behouden (Rom. 11: 26) terwijl dat slechts geldt voor de volheid van de volken (Rom. 11: 25) d.w.z. de niet-Joden die “in Christus” geroepen zijn. Met andere woorden: niet-Joden moeten kennelijk “in Christus” zijn terwijl Israël als zodanig wordt behouden.
  2. Of zou Paulus zich ook hebben thuis gevoeld bij de theologie van Matteus? Vergelijk Matteus 25: 31-46 en 1 Cor. 7: 19.
  3. Wanneer in discussies over de ernstige problemen in Israël en Palestina gezegd wordt dat er geen onderscheid meer is tussen Jood en Griek, is dan ook het verschil tussen mannen en vrouwen opgeheven?
  4. De theologische onderbouwing van de mogelijkheid om niet-Joden tot de gemeente van Christus toe te laten zonder hen tot het Jodendom te hoeven bekeren, wordt veelal gezien als de geniale omwenteling die Paulus teweeg bracht: zij worden gerechtvaardigde door het geloof. Paradigma is de geschiedenis van Abraham. (Zie Rom. 3 en 4 en Gal. 3) Deze problematiek komt overigens alleen in Romeinen en in Galaten aan de orde. Wat betekenen die woorden voor u?
  5. Wat vindt u van andere vertalingen/omschrijvingen? Bijvoorbeeld: ook niet-Joden zijn door hun vasthoudende geloofsvertrouwen in Gods ogen legitiemleden van het lichaam van Christus.
  6. In de loop van de eeuwen zijn de niet-Joden de absolute meerderheid gaan vormen in de langzamerhand ontstane kerk. Wat denkt u van de positie van de hedendaagse Joden die Jezus volgen? Zijn zij de voortzetting van de Joden in de vroeg-christelijke gemeenten?

Tot slot.

In de loop van tweeduizend jaar christelijke kerk – en daarin van vijfhonderd jaar Reformatie – is veel van de oorspronkelijke setting van Paulus’ gemeenten verloren gegaan. De kerk is een heidense aangelegenheid geworden. Terwijl de apostel van de volkeren regelingen moest treffen voor allerlei ongewone situaties die ontstaan wanneer Joden en niet-Joden in één en dezelfde “vereniging” als gelijkwaardige leden samen komen. Met name de eerste brief aan de Corinthiërs staat vol met deze praktische aanwijzingen. Want ook de niet-Joden konden nu gelegitimeerd deelnemen aan de gemeente zonder de geboden te onderhouden. Ze moesten zich echter wel degelijk verre houden van afgodendienst en alles wat daarmee samenhing. En in de grieks-romeinse wereld hing heel veel samen met de dienst aan de goden! Kortom, na de rechtvaardiging/legitimering volgde de opdracht om een rein en onberispelijk leven te leiden tot de dag van de Heer. Ook hier zijn een aantal vragen te stellen.

  1. De Joden “in Christus” die in Galatië wonen worden opgeroepen de niet-Joodse leden van de gemeente te aanvaarden zonder dat zij Jood worden. Omgekeerd worden de niet-Joden in de gemeente van Rome worden opgeroepen om hun Joodse medegelovigen te aanvaarden in hun Joods zijn. De wederzijdse aanvaarding heeft tot grondslag de regel dat ieder in zijn eigen roeping blijft. Wat betekent deze levenspraktijk voor ons?
  2. In kerken van de Reformatie is niet altijd even veel aandacht geschonken aan het werk van de Geest die over alle vlees – d.w.z. over Joden en niet-Joden – is uitgestort. Voor Paulus is dat de ultieme reden waarom ook niet-Joden de geboden van God kunnen doen (1 Cor. 7: 19). Zou er een soort Thora voor de volkeren moeten zijn, meer dan de vier Noachidische geboden die in Handelingen 15 ook aan de niet-Joden worden gegeven?
  3. Trouwens, zou de Jood Paulus zich aan zijn eigen regel hebben gehouden en trouw aan de Thora zijn gebleven? (Hand. 21: 17-26 en 22: 3). Eens Zeloot, altijd Zeloot! Galaten 1: 14 zou dan geen verleden tijd zijn maar voor de apostel der volkeren vanzelfsprekende, blijvende verbondenheid met zijn volk.

In 1 Corinthe 7: 17-24 komt veel van het gedachtegoed van de apostel Paulus tot uiting. Ik ga graag daarover verder met u in gesprek in het digitale leerhuis.

Drs. Dick Pruiksma

Emeritus predikant PKN, lid van de Protestantse Raad Kerk en Israël.
Voorheen voorzitter van het Overlegorgaan van Joden en Christenen in Nederland (OJEC, 1994-2004) en algemeen secretaris van de International Council of Christians and Jews. (ICCJ, 2006-2013).

Hand in eigen boezem steken

Naäman (2 Koningen 5), generaal in Aram (Syrië), was een man van aanzien. Maar tegelijkertijd ook niet: hij had immers huiduitslag (tsaraät – soms vertaald met huidvraat of melaatsheid). Een krijgsgevangen Joods meisje, in dienst van zijn vrouw, zegt dat de profeet in Samaria – Elisja – hem kan genezen.

Naäman gaat naar de koning. Die zegt hem: ‘Ga! En neem een brief mee voor de koning van Israël.’ De koning van Israël leest de brief met het verzoek hem te genezen en wordt bang: ‘Ben ik dan God, om te doden en levend te maken?’ (zie Deuteronomium 32:39).
Elisja – niet genoemd in de brief – hoort dit en laat Naäman naar zijn huis te sturen.

Teken
Over de huiduitslag van Naäman lezen we: [Huiduitslag als consequentie] Voor hooghartigheid – dat is het geval bij Naäman, van wie gezegd is (2 Koningen 5:1): ‘Naäman, krijgsoverste […], was een groot man’. Wat wordt bedoeld met ‘groot’? Hij was hooghartig wat betreft zijn verdienste als krijgsoverste, en, als gevolg van dit, werd hij ‘geslagen met huiduitslag’. [Numeri Raba 7,5] Deze huiduitslag is kennelijk niet zomaar een ziekte, maar een gevolg van zijn hooghartigheid. Er zijn nog andere ‘oorzaken’ van huiduitslag:
[…] De plaag van huiduitslag komt over zeven zaken: over kwaadsprekerij, bloedvergieten, loze eden, ontucht, hooghartigheid, roverij en over zelfzucht’. [Babylonische Talmoed, Arachien 16a]

Omkeer
Naäman gaat, ten einde raad, naar Elisja’s huis. Die ontvangt hem niet, maar laat hem zeggen dat hij zich zeven maal in de Jordaan moet wassen om te genezen. Naäman voelt zich vernederd en wordt kwaad. Heeft hij hiervoor zo ver gereisd? De koning helpt hem niet en Elisja komt niet eens naar buiten! Om zich enkel te wassen in een rivier had hij toch niet hoeven komen (vers 12)! Als hij kwaad weggaat, zeggen zijn knechten: ‘Mijn vader, als de profeet je had gezegd iets groots [te doen], zou je het dan niet gedaan hebben? Hoeveel te meer nu hij je gezegd heeft: was je en word rein!’ (vers 13).
Naäman komt terug, daalt af en dompelt zich zeven maal onder in de Jordaan. Hij daalt af – laat zijn arrogantie varen – en geneest!
Hij gaat naar Elisja en zegt: ‘Zie, nu weet ik dat er geen God is op heel de aarde dan in Israël!’ (vers 15). En hij neemt een karrevracht aarde mee voor een altaar voor de God van Israël. Want andere goden wil hij niet meer dienen!

Leerproces
Huiduitslag als een leerproces komen we ook bij Mozes tegen. Als de Eeuwige Mozes voor de derde keer roept (Exodus 3:15vv), reageert Mozes met de woorden: ‘Maar zij zullen mij niet vertrouwen, noch mijn stem horen […]’ (Exodus 4:1). Hierover zegt de midrasj:
Mozes deed hetzelfde als de slang, die kwaad sprak over zijn Schepper, zoals gezegd is: ‘God weet dat ten dage dat jij daarvan eet, jouw ogen geopend zullen worden en jij zult als God zijn, kennende goed en kwaad’ (Genesis 3:5). En evenals de slang is geslagen, zal hij geslagen worden. […] ‘En de Eeuwige zei: Steek nu je hand in je boezem’ (Exodus 4:6). Hij zei hem: Toen de slang kwaad [over Mij] sprak, sloeg Ik hem met huiduitslag, zoals gezegd is: ‘Vervloekt ben je onder alle dieren’ (Genesis 3:14) en [als uitleg: die vervloeking heeft betrekking op huiduitslag] zoals gezegd is (Leviticus 13:51): ‘een vervloekte huiduitslag’. […]
Evenzo verdien jij het om met huiduitslag geslagen te worden. […] ‘Hij stak zijn hand in zijn boezem en hij trok hem eruit en ziet, zijn hand was met huiduitslag wit als sneeuw’ (Exodus 4:6). Hij kreeg wat hij verdiend had, want hij had kwaad gesproken [over Israël]. [Exodus Raba 3,12-13]

Het teken van de huiduitslag moest niet enkel Israël overtuigen, maar ook Mozes duidelijk maken dat hij ongepast sprak toen hij het volk valselijk beschuldigde (zie ook Exodus 3:18). Daarom moest hij ‘de hand in eigen boezem steken’, bij zijn geweten te rade gaan! Vandaar:
Wat is de betekenis van: ‘Dit is de Tora voor degene met huiduitslag (metsora)’ (Leviticus 14:2)? [Het betekent:] Dit zal de leer zijn voor hem die lastert (motsi sjem ra). [Babylonische Talmoed, Arachien 15b]

Soms kun je van huiduitslag leren dat je verkeerd bezig bent.

Opdracht
Wat vindt u van de gedachte dat huiduitslag een gevolg kan zijn van een bepaalde handeling of innerlijke houding?

Henk Scholder
Meer informatie: www.stichtinglev.nl