Synagogelezing door Bart Wallet

Christenen en het probleem van het antisemitisme
18 oktober 2018 synagoge Zuidlaren
spreker: dr. Bart Wallet, Amsterdam
13de synagogelezing

         Inleiding

‘Antisemitisme’ is een gelaagd thema, met veel actualiteitswaarde. Het is van alle tijden en plaatsen. Er is altijd een onderstroom van jodenhaat geweest. Anti-joodse beelden zijn deel gaan uitmaken van ons collectieve geheugen; we vallen er telkens op terug.
Tegelijkertijd is het politiek antisemitisme een relatief nieuw verschijnsel (ca. 1875). Deze ideologie put uit de onderstroom van jodenhaat.

         Opzet van de lezing

  1. Betekenis van de term – de bron – de relatie met het christendom
  2. Middeleeuwen en Reformatie, toegespitst op Nederland
  3. De 19de en 20ste eeuw

 

  1. De term ‘antisemitisme’

Het antisemitisme in Europa was en is alleen tegen joden gericht. Want in Europa waren de enige afstammelingen van Sem die daar woonden, de joden.
In 1875 komt de term ‘antisemitisme’ op. Een bepaalde politieke groepering ging zich ‘antisemitisch’ noemen. Op weg naar een betere samenleving in Europa keerde deze groep zich tegen de joden, want: joden zijn ‘de ander’. Joden verbreken de eenheid in de samenleving; zij zetten alles naar hun hand.

Naast dit politiek antisemitisme, dat dateert uit de 19de eeuw, bestaat het al veel oudere sociaal antisemitisme. Een vergaarbak waarin allerlei anti-joodse beelden en overtuigingen verzameld zijn. We zijn ons niet altijd van dit gedachtegoed bewust, maar opeens, in een concrete situatie, komt het boven. Bijvoorbeeld: de bankencrisis, de Lehman Brothers Bank. Joden en geld gaan altijd samen… En stereotiepen, zoals ‘het joodje’ in de literatuur van vóór 1950.

Naast het politiek en het sociaal antisemitisme bestaat er nog een derde vorm: het religieus antisemitisme. De discriminatie van joden op religieuze gronden. Hoe is deze discriminatie ontstaan?

 De verhouding tussen jodendom en christendom

Wallet ziet deze verhouding als die tussen tweelingbroers.
De Grieken en Romeinen hadden enerzijds respect voor de joodse cultuur want die was net als die van hen eeuwenoud. Anderzijds vonden zij de joden lastig. Judea was een lastig gebied, bewoond door onrustzaaiers.
In het jaar 70 wordt de tempel in Jeruzalem verwoest. Het centrum van het jodendom is daarmee verdwenen. Van de vijf tot dan bestaande stromingen in het jodendom verdwijnen er drie: de Sadduceeën, de Essenen, de Zeloten. Over blijven de Farizeeën en de Jezusbeweging. En deze twee gaan elk hun eigen weg. De beide tweelingbroers worden twee religies. Beide vinden zij hun eigen antwoord op het wegvallen van de tempel.

In het rabbijnse jodendom (< Farizeeën) neemt het gebed de plaats in van de offerdienst. In het ochtend-, middag- en avondgebed worden passages uit de Torah over de offers opgenomen.
In de Jezusbeweging komt hét offer centraal te staan: het offer van Christus. Lees Hebreeën! Aan het altaar draagt de priester het offer op: de eucharistie.

De tempel in Jeruzalem is dan wel verwoest, maar in zowel het jodendom als in de Jezusbeweging is de tempel flexibel geworden. De tempel kan overal zijn.

Nog steeds zijn dan jodendom en christendom twee minderheidsgroepen in het Romeinse Rijk. En voorlopig, tot ongeveer 600, zijn ze nog met elkaar in gesprek.
Maar al in het begin van de tweede eeuw schiet dé wortel van het antisemitisme op: de beschuldiging van Godsmoord aan het adres van de joden. “Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.” Matteüs 27:25

Een exponent is Melito van Sardes, 180, en later Chrysostomus. Augustinus e.a. zien nog wel wat positiefs in de joden: hun kennis van het Hebreeuws.
Vanaf Constantijn de Grote, in de vierde eeuw, wordt het Romeinse Rijk langzamerhand christelijk. De kerk krijgt macht. De kerk, die “uit alle volken” is. Het jodendom kiest ervoor de band tussen volk en religie vast te houden.
De vraag daarbij: wie is de echte opvolger van het aloude jodendom? Wie is het ‘ware Israël’? Zowel het rabbijnse jodendom als het christendom grijpen voor hun legitimatie terug op het verhaal van de tweelingbroers Jakob en Esau. Wie is het verus Israel?

  1. Middeleeuwen en Reformatie

De Middeleeuwen ca. 1000

De crucifixen tonen steeds meer het bloed van Jezus. Het zgn. bloedsprookje ontstaat. Joden zouden het bloed van christenkinderen gebruiken voor de bereiding van de matzes voor Pesach.

De latere Middeleeuwen

Er werd een koppeling gelegd tussen joden en geld. De joden mochten geen onroerend goed bezitten. Ook mochten ze geen lid van de gilden zijn.
Zij kregen het monopolie op de geldhandel. Want zij mochten, in tegenstelling tot de christenen o.g.v. hun interpretatie van een tekst uit Deuteronomium, wèl rente vragen. Zo kregen de joden de naam van woekeraars.

De Reformatie

Gaat de Reformatie nu het verschil maken? Nee, niet echt.
1517: Luther staat aan de basis van de vrijheid, ook voor die an de joden. “Dass Jesus Christus ein geborener Jude ist.”
De gedachte van Luther was: Nu de kerk hervormd is, moeten de joden toch wel christen worden. Jezus was een jood, dus wat let jullie joden om christen te worden? Maar zijn houding wordt steeds negatiever. Joden staan voor de wet, net als de katholieken, de protestanten staan voor het evangelie. Ook de jonge Luther hanteert dit schema al.
Op het eind van zijn leven verwijst Luther in zijn boekje “Over de verborgen naam” naar een middeleeuws beeld aan de slotkerk te Wittenberg: een zeug die haar kinderen te drinken geeft, de joden….
Luther pakt dit beeld zonder kritiek op, net als het bloedsprookje. Hij schrijft tegen de joden om de christenen tegen hen te beschermen.

Later heeft de gereformeerde theoloog Voetius (17de eeuw) het nog steeds over de Godsmoord, het bloedsprookje, en ‘joden zijn afpersers’.

De Reformatie bracht wel iets positiefs: de Bilblia Rabbinica, 1517 Venetië, uitgave van Bomberg. Een gezamenlijk project van joden en christenen op basis van Hebreeuwse teksten (Torahrollen) uit Spanje en Portugal. Deze bevatten de Hebreeuwse Bijbeltekst plus commentaren van rabbijnen.
Het was een revolutionaire verandering! De grondtekst van de Bijbel werd gebruikt, niet meer de Latijnse Vulgata, en zo veranderde de canon. De deutero-canonieke boeken waren niet langer meer gezaghebbend.
De dominees leerden de originele Bijbeltekst in het Hebreeuws en Grieks, met rabbijnse commentaren. De kanttekeningen uit de Statenvertaling (1637) zijn selecties uit deze rabbijnse commentaren.

  1. Negentiende en twintigste eeuw

Tot 1796 was Nederland een lappendeken wat de tolerantie ten aanzien van de joden betreft. In Amsterdam, Leeuwarden, Zwolle mochten joden wonen. In Zwolle waren zelfs de gilden voor hen toegankelijk. Utrecht, Deventer, Tilburg waren voor joden verboden. In Drenthe was het aantal joden wettelijk gelimiteerd. Slechts een paar joden woonden er.

Ca. 1875 was het politiek antisemitisme opgekomen. In de christelijk-sociale traditie wordt sociaal antisemitisch gedachtengoed zichtbaar.

Er lag een sociaal probleem in de samenleving. De eenheid van het volk is weg. Er is individualisering, armoede, ontmenselijking. De wortel van dit probleem ligt in de Franse revolutie. Daar dacht men vanuit het individu, en niet vanuit groepen. Er zijn alleen nog maar ‘burgers’, en die zijn allemaal gelijk!

De christelijk-sociale traditie – waaruit de anti-revolutionaire partij is ontstaan – keerde zich tegen de beginselen van de Franse revolutie en zag een probleem. Want waar blijft de samenleving, als het alleen maar om het individu gaat? Voor de christelijke samenleving die zij beleed, waren joden een probleem, want zij maakten inbreuk op die samenleving. Maar ze moeten wel gelijkwaardig zijn vanuit het revolutionaire beginsel… Hoe dit probleem te hanteren?

Het Réveil. Er is verschil tussen het Amsterdamse en het Haagse Réveil.

Da Costa (Amsterdam) zag het als zijn taak christenen te genezen van het antisemitisme. Groen van Prinsterer en later Hoedemaker (Den Haag) wilden de christelijke identiteit van de natie beschermen.

Abraham Kuyper vond dat de joden te veel invloed hadden, o.a. in het bankwezen. Maar hij zette de stap naar het politiek antisemitisme niet. Hij was een voorstander van pluralisme: mèt de rooms-katholieken en mèt de joden.

De Christelijk-Historische Unie wilde het oude karakter van het hervormde volk herstellen. Hoedemaker: Nederland is een protestantse, hervormde natie; joden zijn geen onderdeel van de Nederlandse natie. Ze wonen hier wel, maar als gasten. Ze vormen een eigen, aparte natie.

Deze toch antisemitische ideeën zijn niet opgenomen in de partijprogramma’s. De enige partij in Nederland die ooit echt antisemitisch is geweest, was de NSB.

De Wereldraad van Kerken, die dit jaar 70 jaar bestaat, stelde in zijn verklaring bij de oprichting in 1948: “Antisemitisme is een zonde tegen God”.

In 1968 is de pauselijke encycliek Nostra Aetate uitgevaardigd. Daarin werd de beschuldiging van Godsmoord ingetrokken.

         Uitleiding

Het is een blijvende opdracht aan kerk en christenheid: hoe verbinden wij ons als gelovigen in Christus met de joden, met Israël?

Deze samenvatting van de lezing van dr. Wallet is gemaakt door Ineke Thurkow. Ze heeft daarvoor tevoren toestemming gekregen van dr. Wallet. De toestemming geldt ook de plaatsing op www.kerkenisraelnoord.nl

 

 

 

 

 

 

 

Synagogelezing 2017

Synagogelezing 2 november 2017 te Zuidlaren door dr. H.-M. Kirn

LUTHERS VISIE OP JODEN

Er loopt geen rechtstreekse lijn van reformator naar Hitler

De Protestantse Kerk nam vorig jaar officieel afstand van de ‘antisemitische uitlatingen’ van Maarten Luther. ‘Als voorzetting van de Lutherse Kerk weet de kerk zich deel van een lutherse geschiedenis, die zijn zwarte bladzijden kent,’ zo klonk het. Joodse organisaties hadden een jaar eerder aangegeven dat ‘er een rechte lijn van Hitler naar Luther loopt’. Lutherkenner prof. H.M. Kirn spreekt dit tegen.

Er loopt geen rechtstreekse lijn van Luther naar Hitler en de Shoah. De geschiedenis van de ontvangst van Luthers geschriften laat dit zien. Dat neemt niet weg dat Luthers theologisch gemotiveerde anti-judaïsme en zijn niet-racistische antisemitisme de vijandschap tegen Joden en jodendom versterkt hebben. Dat staat buiten kijf.

Kort na de anti-Joodse pogroms van de zogenoemde Kristallnacht in Duitsland in 1938 schreef de lutherse bisschop M. Sasse, vooraanstaand lid van de nazi-gerelateerde pressiegroep Deutsche Christen, in een antisemitisch pamflet: ‘Op 10 november 1938, Luthers verjaardag, staan de synagogen in Duitsland in brand. Op dit uur moet de stem worden gehoord van de man die begon als een vriend van de Joden en gedreven door zijn geweten, gedreven door ervaring en realiteit, de grootste antisemiet werd van zijn tijd.’

Achteraf gezien was de lijn van de nazipogroms naar de Shoah, die drie jaar later in de oorlog begon, kort. Maar een rechtstreekse lijn van Luther naar de massamoord op het Joodse volk valt niet te trekken. Meer nog: er zijn genoeg redenen om in dit vraagstuk met de vroege Luther verzet aan te tekenen.

Daarbij moeten we helder voor ogen hebben dat Luther in eerste instantie bijbeluitlegger was en bleef. De vraag is derhalve relevant hoe Luther over ‘Israël’ en de Joden sprak in zijn bijbeluitleg en welke praktische consequenties in de omgang met Joden en jodendom hieruit voortkwamen.

Luther tot 1515

Al in zijn vroege werk ontwikkelde Luther een eigen exegetische visie op Israël, de Joden en het jodendom. Dit gebeurde in nauwe verbondenheid met de middeleeuwse traditie. Sleutelteksten zijn te vinden in de eerste reeks colleges met dictaten over het Psalmboek (1513-1515). Hierin zien we hoe Luther aansluit bij de bijbelinterpretatie van de Vroege Kerk en de Middeleeuwen, in dit geval bij Augustinus en bij de Franse humanist Faber Stapulensis. Volgens hen waren de Psalmen geschreven ‘in de profetische zin’, dus met het oog op Christus de Messias. De Joodse gelovigen in het Oude Testament zoals Abraham, Mozes en de profeten waren in feite Christus-gelovigen. Luther beschouwde hen als positieve rolmodellen van geleefd geloof.

Het rabbijnse Jodendom zag hij niet zo. Conform de kerkelijke traditie scheidde Luther dit strikt van Israël in het Oude Testament als ‘jodendom van onze tijden’ of ‘modern’ jodendom. Een fel anti-judaïsme was het gevolg: de Joden na Christus zette hij als negatieve rolmodellen van geloof neer.

Zo zag Luther de Joodse interpretatie van de Hebreeuwse Bijbel als een ‘spugen, kruisigen en doden van de geschriften’. Dit is een duidelijke herinnering aan de kruisiging van Jezus, die collectief aan de Joden werd toegeschreven. De ‘vijanden’ van God waarover de Psalmen spreken, werden met de Joden na Christus geïdentificeerd.

Op de achtergrond stond het concept van de kerk als het geestelijke ‘ware Israël’, de zogenoemde vervangingstheologie. Elementen hiervan waren de toepassing van onverzoenlijke existentiële tegenstellingen in de Bijbel, zoals ‘vlees’ en ‘geest’ (Rom. 7:14; Gal. 5:16-17) of ‘letter’ en ‘geest’(2 Kor. 3:6) op de tegenstelling van synagoge en kerk.

Maar dit anti-judaïsme was niet exclusief anti-Joods. Het ging samen met een scherpe kritiek op misstanden in kerk en samenleving. De spirituele ‘Christusmoord’ werd ook als probleem van christenen gezien. Dit maakt het probleem van stereotiepe beeldvorming van Joden en jodendom niet minder, maar die houding kon bij nader theologisch inzicht veranderen.

Nieuw perspectief

In de jaren tussen 1515/1516 en 1523 had een herziening van Luthers positie plaats. Gedurende zijn bestudering van Paulus’ brief aan de Romeinen (9 -11) ontdekte hij een nieuw perspectief: het verbond van God met Zijn volk Israël en het ‘mysterie’ van de eschatologische ‘redding’ van Israël (Rom.11:25), verstaan als bekering tot Christus. Dit zag Luther ook in andere bijbelse beloftes, zoals Hosea 3:4-5 en Hosea 5:12, voorspeld. In dit heilshistorisch perspectief werd de christelijke compassie met ‘heel Israël’ benadrukt.

Hier liggen de wortels van Luthers vernieuwende gedachten in zijn geschrift van 1523 onder de titel Dat Jezus Christus een geboren Jood is. Aan de negatieve beoordeling van het rabbijns jodendom verandert niets. Maar Luther vraagt nu wel om een ‘vriendelijke ‘ omgang met de Joden van zijn tijd. In plaats van geweld en smaad, vervolging en bedreiging, zoals die van de kerkelijke inquisitie en van het uitzettingsbeleid van vele overheden sinds de late Middeleeuwen uitgingen, zouden de overheden de Joden meer vrijheden in het midden van de maatschappij moeten gunnen. Hierbij hoorde bijvoorbeeld de vrije keuze van hun woonplaats, het registreren van landbezit en het uitoefenen van de landbouw om de Joden alternatieven voor de gangbare geld- en kleinhandel te bieden.

Missionaire hoop

Dit waren ondanks hun fragmentarische karakter uitzonderlijke voorstellen. Maar: er ging een missionaire hoop achter schuil. Een nieuw overheidsbeleid leek de kans te bieden ook onder de Joden de ‘honger naar het evangelie’ te stimuleren.

Deze missionaire motivatie is tot de dag van vandaag altijd weer reden om Luthers voorstellen niet op waarde te schatten. Ten onrechte, naar mijn mening. Het is waar: Luther was net zo min als de meerderheid van zijn tijdgenoten geïnteresseerd in het Joodse zelfverstaan. Hij dreigde in dit stadium echter evenmin met sancties, mocht zijn hoop niet in vervulling gaan. Doop en bekering waren geen voorwaarden voor verruimde maatschappelijke rechten van de Joden. Zo hield Luther bewust rekening met de mogelijkheid dat Joden gewoon Joden bleven.

In zijn uitleg van het Magnificat (Luk.1) schreef hij: christenen hebben de plicht de Joden met welwillendheid (mit Güte) op Christus te wijzen. Maar indien de Joden niet willen luisteren, ‘laat hen hun gang gaan. Ook wij zijn niet allen goede christenen’.

Achteraf bekeken is het jammer dat Luther zijn voorstellen niet verder heeft uitgewerkt. Ze bleven een randverschijnsel van zijn bijbeluitleg, in de vroege fase van de Reformatie. En toch klinkt hier een nieuwe visie door die trekken van een voormoderne vorm van ‘Jodenemancipatie’ vertoont, met méér en niet minder rechten voor de Joodse gemeenschap. Dit ging verder dan alles wat de toenmalige wetgeving in Duitsland te bieden had.

Apocalyptisch

Hoe kwam Luther nu van zijn aanvankelijk ‘vriendelijke ‘ houding tot zijn latere antisemitische uitspraken? Hoe kon zijn houding in het tegendeel veranderen? Er bestaat geen eenvoudig antwoord op deze vragen, we beschikken wel over aan wijzingen.

Allereerst: het was niet Luthers reformatorische theologie zelf die veranderde, maar haar concrete toepassing. Al sinds de Boerenoorlog (1524-1525) duidde hij de spanningen in de eigentijdse geschiedenis steeds meer in apocalyptische termen. Hij zag zichzelf en zijn aanhangers steeds meer betrokken bij de finale strijd tussen licht en duister, tussen God en de duivel in de eindstrijd.

Degenen die Luther nu als ‘vijanden’ van Christus en het evangelie ontdekte, waren voor hem dienaars van duivelse machten: naast de rooms-katholieken onder de paus (‘papisten’), de wederdopers (‘dwepers’) en de moslims waren dit nu ook de Joden. Die laatsten kwamen nu niet meer vanuit Gods verbond in beeld, maar als bedreiging en als prototypen van gevaarlijk ongeloof.

In deze richting wijst al een mislukt privégesprek van Luther met drie rabbijnse geleerden in 1525-1526, over de kwestie van de Messias. Belangrijker nog was de boodschap van de Joodse bekeerling A. Margaritha in zijn boek over het Joodse geloof (1530-1531). Deze klonk in een tijd van hoogoplopende eindtijdverwachting, óók onder Joden. Luther maakte in zijn latere anti-Joodse geschriften veelvoudig gebruik van dit boek. Margaritha herhaalde de beschuldiging dat de Joden in hun vroomheidspraktijk (gebeden) en dagelijks gedrag door haat tegen Christus en de christenen gedreven werden. Deze vorm van polemiek zette de deur open voor antisemitische beïnvloeding. Zelf had Luther geen nadere kennis van het jodendom.

Polemiek en geweld

Luther bleef tot het eind van zijn leven in eerste instantie bijbeluitlegger. Zo was de hele reeks van zijn anti-Joodse geschriften, waaronder het geschrift Van de Joden en hun leugens (1543) gewijd aan de verdediging van een christocentrische en trinitarische interpretatie van de Hebreeuwse Bijbel.

De exegese ging nu echter gepaard met grove polemiek, die Joden ronduit als ‘ketters van het Oude Testament’ wegzette. Beledigende middeleeuwse motieven als de Judensau (afbeelding van Joden met varkens) werden niet geschuwd om de rabbijnen bespottelijk te maken. Een reliëf met de Judensau was al sinds de vijftiende eeuw aan de stadskerk van Wittenberg te zien en daar bevindt het zich nog steeds.

Daarnaast blies Luther de fatale beschuldiging van rituele moord op christenkinderen nieuw leven in. Deze beschuldiging had de vroege Luther uitdrukkelijk als een mythe verworpen.

Het bleef niet bij polemiek. Luther adviseerde de overheden tot inzet van bruut geweld, zoals brandstichting in synagogen, vernietiging van woonhuizen, het wegnemen van gebeds- en studieboeken, een leerverbod voor rabbijnen en – nu anders dan in 1523 – de dwang tot ‘nuttig’ werk in de landbouw in plaats van geld- en kleinhandel. Volgens dit advies zouden de Joden in een pariabestaan terecht moeten komen, die in feite trekken van slavernij aannam.

Als zodanig waren deze voorstellen vroegmodern-antisemitisch. Geen ervan was nieuw, ze behoorden tot de laatmiddeleeuwse houding, vooral van bedelmonniken. Daartoe behoorde tevens een laatste alternatief: de uitzetting van Joden.

Persoonlijke mening

Het lijkt erop dat dit het eigenlijke doel van Luther vormde. Hier voegde hij zich bij een gangbare politieke praktijk, die in de late Middeleeuwen in heel Europa meer regel dan uitzondering geworden was. Luthers massieve antisemitische uitingen kwamen voor velen onverwacht. Andere reformatoren reageerden dan ook negatief – hoewel zijn critici uit Zürich, Straatsburg, Genève en Neurenberg zich vooral ongemakkelijk voelden vanwege de grove stijl van Luthers polemiek. Ze waren minder bezorgd over de inhoud en de exegetische context.

Het moge duidelijk zijn: Luther kende geen racistisch antisemitisme en hij heeft ook niet tot het vermoorden van Joden en – tenminste niet rechtstreeks – tot pogroms opgeroepen. Hij heeft zijn late anti-Joodse voorstellen expliciet als zijn persoonlijke mening uitgedrukt en voor niemand verplicht gesteld. Maar dat betekent niet dat ze zonder gevolgen bleven.

Gevolgen

De ontvangst van Luthers uitlatingen over de Joden laat een dubbel beeld zien. Aan de ene kant staan de late geschriften. Deze hebben, vooral in de zestiende en zeventiende eeuw, in verschillende gevallen het uitzettingbeleid van overheden aangemoedigd en argumenten aangereikt voor beperkende maatregelen tegen Joden. Zeker hebben ze ook bijgedragen aan negatieve beeldvorming.

Aan de andere kant staat Luthers vroege geschrift van 1523. Op de daarin uitgedrukte boodschap van een ‘vriendelijke’ omgang met Joden en jodendom beriepen juist diegenen zich die het traditionele concept van (beperkte) tolerantie en vrijheid van religie wilden verdedigen. Deze houding werd in het bijzonder verspreid door het piëtisme, met zijn interesse voor zending onder Joden. Het gevolg hiervan was dat Luthers late geschriften over de Joden weliswaar niet helemaal in vergetelheid raakten, maar geen noemenswaardige rol meer speelden in het opkomen en verspreiden van racistisch antisemitisme in de negentiende eeuw, dat nog weer een eeuw later bepalend werd voor de nationaalsocialistische ideologie. Eerst vanaf de late negentiende eeuw – en dan vooral in de nazitijd – misbruikten lieden als Sasse de late Luther voor de eigen doeleinden. Ook de positie van de vroege Luther bleef echter in herinnering, en dan als symbool van tolerantie en religieuze vrijheid. Zo deden zelfs Joods intellectuelen een beroep op de vroege Luther om hun stem te verheffen tegen het groeiende antisemitisme.

Kritische bezinning

Het mag tragisch genoemd worden dat deze stemmen in protestantse kringen nauwelijks gehoor vonden. Een (zelf-)kritische bezinning op dit droeve falen in kerk en theologie kwam na de Shoah maar langzaam op gang. Sinds de jaren tachtig hebben lutheranen zich met officiële verklaringen van Luthers antisemitische uitspraken gedistantieerd, met de intentie het antisemitisme van alle tijden tegen te gaan.

Dit blijft tot vandaag een opdracht voor alle christelijke theologie, net als om ‘met Luther tegen Luther’ in debat te gaan.

H.-M. Kirn

In gedenken schuilt verlossing

Toespraak voorafgaande aan de onthulling van het joodse monument aan de Noordersingel te Assen, 30 september 2012

door ds. Geert Hovingh

onthulling van het joodse monument aan de Noordersingel te Assen, 30 september 2012“Vergeten is ballingschap, gedenken is verlossing” , woorden die worden toegeschreven aan de grote joodse wetgeleerde Baal Shem Tov, (‘Meester van de Goede Naam’) en die vaak worden geciteerd op bijeenkomsten als deze. Toepasselijke woorden, zeker, maar onderhand zijn ze ook wel een beetje sleets geworden, en dan te bedenken dat de Meester het feitelijk nooit zo gezegd heeft. Ik vond het oorspronkelijke chassidische verhaal en dat gaat zo: “Eens vroegen de Chassidiem aan Baal Shem Tov waarom hij steeds op hun vragen antwoordde met een verhaal. Ze verwachtten niet anders dan dat hij ze ook nu weer iets zou vertellen, maar dat gebeurde niet. Na een moment van liefdevol verwijlen – het staat er zo prachtig in het Engels: ‘after a loving and lingering pause’ – zei hij: ‘in gedenken schuilt verlossing’.Dat oorspronkelijke woord heb ik gekozen als titel voor mijn toespraak. En ik zal u uitleggen waarom. Wij gedenken vandaag operev Soekot – de dag vóór Loofhuttenfeest – het hartverscheurende feit dat op 2 oktober 1942 – dat was Hoshanna Rabba’, de 7e en laatste dag van Soekot – ruim 230 joodse stadgenoten van hier zijn weggevoerd naar Westerbòrk. En vandaar werden de meeste van hen samen met de ruim 150 mannen en jongens die in de werkkampen verbleven binnen een paar dagen – hooguit enkele weken – gedeporteerd naar Auschwitz. Ik heb het nagezien in ‘de lijst van gedeporteerden’ die Jan Ridderbos met heel veel waardevolle informatie heeft ondergebracht op de site www.joodsebegraafplaatsassen.nl en daaruit blijkt dat in Auschwitz voor het einde van 1942 al bijna 250 joodse inwoners van Assen om het leven waren gebracht. Dat gedenken we vandaag, zoals dat natuurlijk ook al eerder is gedaan, deze zomer nog, bij de plaatsing van de eerste ‘struikelstenen’ en nog eerder met de plaatsing van de monumenten op de joodse begraafplaats en in de Groningerstraat. En ook vandaag wordt een monument onthuld, tegen ‘de muur die alles zag’, vlak bij het voormalige schoolplein van ‘School nr. 1’ aan de Noordersingel waar die nacht honderden onschuldige mensen werden samengedreven om ‘als slachtvee te worden afgevoerd’ (schrijft Jacques Presser) ‘Schuldig landschap’, dus zoals de kunstenaar Armando het ooit noemde, en dat vlak naast het huidige stadhuis. Dat was het al zeventig jaar, maar het is nu dan eindelijk zo aangemerkt en dat is goed. Dat helpt – die paar letters tegen de muur doen dat – om dat onvoorstelbare (een uitdrukking van H.W. van der Dunk) in ons persoonlijke en collectieve geheugen te bewaren. Want te lang is er weg gekeken – daarmee zeg ik niets nieuws, anderen zoals de schrijver Marcel Möring, deden het vóór mij – en nog zijn er genoeg die vinden dat dat gedenken nu eindelijk maar eens op moet houden. Het is geschiedenis allemaal, na zeventig jaar, interessant nog voor de liefhebbers. Niet meer dan dat. Een onverdraaglijke gedachte, alleen al om het feit dat er nabestaanden leven voor wie het nooit meer overgaat, de herinnering aan dat onvoorstelbare, het grote gemis, ook nog na zeventig jaar. Dat is wel bijzonder: zeventig jaar duurde n.l. de ballingschap van het volk Israël in Babylon, daarna vierde het zijn bevrijding, na een tweede uittocht. Dat dit voor ons als gemeenschap een begin van verlossing mag zijn, gedenken dat duurt ook voor de komende generaties.

‘Het onvoorstelbare van 2 op 3 oktober 1942, dat verhaal wil ik nu vertellen, de loop der gebeurtenissen , daardoor geweven de verhalen van mensen, overlevenden, ooggetuigen. De uitvoering van het plan om het Noorden van Nederland in één ‘schlagartige Aktion judenfrei zu machen’ was al veel eerder ingezet, zeker vóór juni 1942, toen alle mannen van 18-55 jaar naar werkkampen werden gedirigeerd. Die wilde men er kennelijk niet bij hebben op het moment dat hun vrouwen en kinderen en zelfs de ouderen van huis zouden worden gehaald om met hen voor de ‘Arbeitseinsatz’ naar Duitsland ‘abgeschoben zu werden’. Ik gebruik hier en daar bewust het jargon zoals de nazi’s dat hanteerden, het speelde een grote rol in de strategie van misleiding en bedrog die toen werd gehanteerd. Een voorbeeld: NB nog op 17 september 1942 schrijft Mr. Lobstein, de hoofdvertegenwoordiger van Drenthe in de centrale Joodse raad in Amsterdam aan zijn ondervertegen-woordigers in de provincie dat hem geen gevallen bekend zijn van mensen boven de zestig die voor ‘Arbeitseinsatz’ naar Duitsland zijn uitgezonden. Maar hij adviseert wel om rekening te houden met de mogelijkheid, vanwege gezinshereniging! In de week voorafgaande aan de razzia werden alle joodse inwoners van Assen middels een circulaire op de hoogte gesteld van het naderende vertrek en kregen ze adviezen hoe ze zich daarop het beste konden voorbereiden: men moest ‘de dikste winterkleding en stevige bergschoenen aantrekken’, alle toegestane bezittingen (waaronder tefillin, kleine tallis en choemosj) moest men in een rugzak meenemen en liever niet in een koffer. Want het mocht niet te zwaar worden. Citaat: men moet rekenen met de mogelijkheid dat er mee gemarcheerd moet worden’. En alle kleding moest natuurlijk gemerkt worden. Enig Duits geld was ook wel handig en verder diploma’s, getuigschriften en bewijzen van militaire verdiensten. Houdbaar voedsel voor drie dagen moest apart worden meegenomen omdat de rugzakken in een goederenwagon zouden worden vervoerd. En’in het kamp worden maaltijden verstrekt’. Zo werd de verwachting gewekt dat het misschien toch nog wel mee zou vallen. De werkelijkheid bleek gans anders.

Vrijdagavond na spertijd (20.00 uur) begonnen Nederlandse politieambtenaren met het ophalen van de mensen. Jan Ridderbos heeft de daartoe opgestelde lijsten voor een deel terug gevonden bij het NIOD met een blanco-standaard formulier dat door de hoofdbewoner moest worden ingevuld met naast de op te geven persoonsgegevens de vraag ‘Ist die Wohnung inventarisiert? Ja oder Nein? Wenn ja: wann? Eigene Wohnung oder Untermieter? Schlüssel nr. …. befinden sich…..” De meeste mensen waren voorbereid en lieten zich lijdzaam naar de ‘Sammelstelle’brengen.

Zo Josua en Kaatje Cohen met hun elfjarige zoon Moos, van de Oosterparallelweg 69. Daags tevoren had Cohen een rieten koffertje afgegeven bij zijn vrienden, de familie Tuinstra aan de Burgemeester Jollesstraat. ‘Er zit een vlag in’, had hij gezegd, ‘en die vlag moeten jullie uitsteken als we terugkomen’. Die vlag is altijd bewaard door de familie en zal straks gebruikt worden bij de onthulling van het monument. Vader Pieter Tuinstra, die actief was in het verzet, werd overigens op 12 oktober 1944 gefusilleerd buiten kamp Westerbòrk.

Ook het gezin van Marcus Denneboom, te weten moeder Naatje Denneboom-Nathans en haar beide kinderen Carry en Bram, werden van huis opgehaald, dat wil zeggen op het adres waar ze toen woonden: Rolderstraat 5. Vader Marcus, die zich blijkens het dag- en nachtrapport van de politie op maandagmorgen 19 juli 1942 met 28 andere mannen had gemeld op het station om naar een werkkamp te worden gebracht, was ooit eigenaar van ‘Het Stoffenhuis’ aan de Marktstraat 19. De avond voor die juli was men bijeengekomen in de synagoge waar opperrabbijn Levisson met klem had geadviseerd niet onder te duiken. Vanaf 1936

tot het moment waarop de zaak van Denneboom onder ‘Verwaltung’ werd gesteld werkte daar een jonge vrouw als coupeuse, Jantje Eggink uit het dorp Westerbòrk. Ze raakte bevriend met Carry en die schreef een gedicht in haar poëziealbum. Ik heb het hier en gaat zo: “Als je later es als grootmama/ Zitten zult naast grootpapa/ Denk dan eens met veel geluk/ Aan de schrijver van dit stuk/ Ter herinnering aan Carry Denneboom”. Op de linker-pagina staat in de vier hoeken geschreven: “Ver- geet mij niet”. En dat heeft Jantje niet gedaan, vertelde mij haar dochter, beeldend kunstenaar Johanna Nijlunsing uit Glimmen. Ze schrijft aan Carry in een postume brief “Meer dan zestig jaar geleden nadat jij het hebt geschreven vroeg ik mijn oude moeder of ze jouw versje nog eens wilde lezen. Plotseling las ze het zomaar drie keer hardop voor! Ik was verbluft en we zwegen allebei ontroerd’. Johanna verzamelde allerlei gegevens over de familie Denneboom en de uitkomst daarvan inspireerde haar tot het prachtige kunstwerk dat hier vandaag mag staan: vier delen van een dubbel doorgezaagde boomstam, met op de binnenzijde de namen van Carry Denneboom, haar ouders en broertje Bram. En bovenop de vier delen de woorden ‘Ver- geet mij niet’. Dank je wel, Johanna.

Maar er moeten zich ook hartverscheurende taferelen hebben afgespeeld. Nettie Lezer – zij overleefde Auschwitz en Bergen-Belsen en keerde als enige joodse inwoner van Assen uit de kampen terug – vertelt dat haar moeder die avond nog zelfmoord probeerde te plegen door de oven aan te zetten. Ze kon het ternauwernood voorkomen. Anderen kregen een zenuwinzinking en moesten acuut in ‘Licht en Kracht’ worden opgenomen. Enkelen van hen wisten met hulp van anderen te ontkomen aan de vernietiging.

Zo redde bakkersknecht Geert van Wijk niet alleen Ido Wolf uit het ziekenhuis, maar hielp hij eerder op de avond van de razzia Suus Zilverberg ontkomen en bracht hij later de uit kamp Westerbork ontsnapte Jenny Stern in veiligheid. Als enige van de drie is zij hier vandaag aanwezig. Ook Suus Bolt-Zilverberg was genodigd, maar moest er vanwege haar broze gezondheid – ze is 91 – vanaf zien. Zij was de enige, die op 2 oktober 1942 het vege lijf wist te redden en daarom vertel ik kort haar wederwaardig-heden. Suus was afkomstig uit Dalen waar haar vader een schildersbedrijf runde. In september kwam ze naar Assen om te helpen in het gezin Nathans, Rolderstraat 109, goede vrienden van haar tante. Die avond werd er aangebeld; de familie vroeg of zij wilde opendoen. Daar stonden drie agenten die direct doorliepen en de familie sommeerden om hun spullen te pakken en mee te komen. In de paniek die vervolgens uitbrak wist Suus via de achterdeur te ontkomen en liep daar in de armen van Geert van Wijk. Die overreedde haar om te vluchten. Ze klom achter op de fiets bij hem en samen wisten ze als een verliefd stelletje vervolgens alle controles te omzeilen en Geerts ouderlijk te bereiken. Ze zou de oorlog overleven al is ze nog twee keer bijna opgepakt ten gevolge van verraad. Haar ouders, zus Betje en broer Jacob kwamen om in Auschwitz, net als de gehele familie Nathans en vele, vele anderen.

Die nacht reden vrachtauto’s af en aan om zoveel mogelijk mensen in spertijd naar Westerbòrk te brengen maar er was kennelijk veel oponthoud, want ook uit veel andere plaatsen kwamen auto’s vol mensen naar het kamp. Gevolg was dat er ook op de vroege zaterdagochtend nog mensen moesten worden opgehaald. En zo kon het gebeuren dat een jongen van 13, Jan Boneschansker (ook hij was er graag bij geweest vandaag, maar zijn gezondheid liet het niet toe) getuige was van de laatste transporten. Hij schrijft: ‘Die morgen was ik toevallig bij school. Wat ik toen meemaakte heeft een onuitwisbare indruk gemaakt’. Hij zag dat het op het schoolplein nog een drukte van belang was en herkende tussen de menigte nog een aantal klasgenoten. Vervolgens zag hij hoe een aantal oudere mensen, die kennelijk niet vlug genoeg instapten, door een Duitse soldaat naar binnen werden geslagen. Jan zei: toen ik dat zag wist ik gewoon dat het niet goed zou komen met die mensen. Ik wist het gewoon.

Jan kreeg gelijk. Uit berichten van overlevenden weten we dat de nieuwkomers – niet alleen de mensen uit de dorpen en steden, maar ook de mannen uit de werkkampen – belandden in een helse omgeving. Het kamp was overvol, Op zeker moment waren er meer dan 17.000 mensen, terwijl er maar accommodatie was voor 10.000. Aan alles was gebrek: slaapplaatsen, voedsel, sanitaire voorzieningen, mensen raakten elkaar kwijt in de drukte, sommigen stortten in, het was vreselijk. Uiteindelijk werd het deportatie-programma opgevoerd en vertrok er om die 3 à 4 dagen een transport naar Auschwitz. Alleen al in de maand oktober vertrokken bijna 12.000 mensen uit Westerbòrk, onder hen vrijwel alle joodse inwoners van Assen. Het onvoorstelbare was gebeurd: Jan Ridderbos heeft becijferd dat tussen de 386 en 389 joodse Assenaren niet zijn terug gekeerd. Dat hun namen bij ons in gedachtenis mogen blijven en mogen hun zielen gebundeld zijn in de bundel der levenden.