De stem der profeten in het koor van de kerk

Op zondagochtend ga ik naar de kerk. Dat doe ik graag. Wat mij aanspreekt is de veelstemmigheid die ruimte krijgt. Er is meer dat me aanspreekt, maar het samenspel van wat er allemaal ten gehore gebracht wordt vind ik heel opmerkelijk. Het boeit me wanneer de evangelisten reageren op de woorden en daden van Mozes en de profeten. Als de apostelen een duit in het zakje doen houd ik mijn hart vast. Psalmen ervaar ik als uit het leven gegrepen. Eeuwenoude kerkliederen en geloofsbelijdenissen maken me duidelijk dat wij niet de eersten zijn, maar een schakeltje in de opeenvolging der generaties vanaf de schepping tot aan de voleinding. Bovendien vertolkt een bekwame predikant of predikante de relevantie van dit alles voor de dag van vandaag. Waar al die verschillende geluiden uit al die verschillende tijdperken een symfonisch geheel vormen probeer ik in te stemmen en mee te zingen. Steeds vaker vraagt de actualiteit zoveel aandacht, dat niet alle stemmen meer aan het woord komen. Dan beperken we ons  omwille van de tijd tot slechts één lezing. Meestal tot die van het Evangelie. Maar daardoor krijgen onze kerkdiensten een plat en ééndimensionaal karakter en gaat hun inbedding in de eeuwen der eeuwen verloren. Dat vind ik jammer. En daarom ben ik blij met het pleidooi van collega Bart Trouwborst uit Nieuwleusen, die aandacht vraagt voor de stem van de profeten in het koor van de kerk. Dat pleidooi legde hij vast in zijn nieuwste boek ‘De profeten ter sprake in synagoge en kerk’.

De profeten op het rooster

Bart Trouwborst wijdde zijn studieverlof aan de vraag hoe Israëls profeten op het leesrooster[1] van de kerk ter sprake komen. In ‘versnipperde vorm’ antwoordt hij op één van de eerste pagina’s van zijn boek. Op zondagochtend krijgen de profeten immers alléén aandacht in relatie tot het Evangelie. In deze ‘versnippering’ lag wellicht ook een aanleiding voor de schrijver om zijn onderzoeksvraag uit te breiden met een parallel lopend onderzoek naar de functie van de profeten in de sjabbatviering van de synagoge. Anders gezegd, een onderzoek naar de verhouding tussen de wekelijkse voorlezing van de vijf boeken van Mozes (Tora) en de daarbij horende profetenlezingen (haftara’s). Mede vanwege de opdracht die de Protestantse Kerk zichzelf stelt om het gesprek met de synagoge te zoeken inzake het verstaan van de Heilige Schrift, wist de schrijver zich aangemoedigd om dus eerst te inventariseren hoe het synagogaal leesrooster omgaat met de profeten om vervolgens beide benaderingswijzen van kerk en synagoge met elkaar te vergelijken. Aan het einde van zijn boek concludeert Trouwborst hoezeer de keuze van de haftara’s getuigt van een ‘zelfkritische houding van de synagoge’ (341). Hij laat deze conclusie direct volgen door een tweede waarneming, dat in betreffende lezingen doorklinkt “hoe Gods genade het laatste woord heeft en de mens zo opgeroepen wordt zich tot Hem en de naaste om te keren”. Een derde conclusie betreft de grote openheid van het synagogaal leesrooster voor de rol en de plaats van de volkeren in Gods heilsplan met Israël en de schepping.

Vergelijking van de hierboven opgesomde conclusies met de resultaten van het onderzoek dat Trouwborst deed naar de functie van de profeten in het Gemeenschappelijk Leesrooster van de kerken, maakt duidelijk dat bovengenoemde aspecten inderdaad terugkeren in de ‘drie rode draden’ die hij waarneemt in de afzonderlijk A-, B- en C-jaren van het kerkelijk leesrooster. De nadruk op de feesten is eveneens een overeenkomst tussen beide roosters: ‘Zeker voor de zondagen in de herfst geldt dat het Gemeenschappelijk Leesrooster een bewuste koppeling met de leerstof uit de synagoge heeft aangebracht, waarbij de feesten een belangrijke rol spelen’ (342).

Pareltjes

Het grootste deel van het boek bestaat uit ruim 270 afzonderlijke ‘pareltjes’ ter grootte van één pagina, goed te gebruiken als bijbels dagboek bij het vieren van sjabbat en zondag. Het gaat om 90 kernachtige typeringen van de wekelijkse haftara’s (profetenlezingen) in hun relatie tot betreffende sjabbatlezing uit de vijf boeken van Mozes. Daarnaast biedt het boek ruim 180 korte schetsen, eveneens pareltjes ter grootte van één pagina, van de profetenlezingen in hun relatie tot het Evangelie van de zon- en feestdagen van het kerkelijk A-, B-, en C-jaar. Predikanten krijgen met dit boek een prachtige aanzet in handen bij het voorbereiden van hun zondagse preek. Terwijl het voor gemeenteleden een unieke kans is zich op de kerkgang voor te bereiden.

Een punt van aandacht

Een bijzonder punt van aandacht is de wijze waarop de verbanden worden gelegd tussen oud- en nieuwtestamentische teksten of schriftlezingen. Het gaat hierbij om één van de belangrijkste vragen die vanuit de joods-christelijke dialoog aan de kerk wordt gesteld: hoe verhouden het Oude en Nieuwe Testament zich tot elkaar? Als Wet en Evangelie zoals we vroeger zeiden? Als belofte en vervulling? Of moeten we afzien van zulke voorgegeven interpretatieschema’s? Zijn het Nieuwe Testament en de Rabbijnse Traditie wellicht gelijkwaardige erfgenamen van de Hebreeuwse Bijbel? Het boek van Trouwborst gaat niet op deze vragen in, wat gezien de opzet van het boek logisch is, maar het vooronderstelt natuurlijk wel een verband. Trouwborst laat dan ook zien wat er op het spel staat: “Het behoeft geen betoog”, schrijft hij “dat er kritiek mogelijk is op de vroegchristelijke zienswijze dat de Tora afgedaan zou hebben, omdat Christus alles waarover het hier gaat vervuld heeft. Alleen al de gedachte dat Christus’ vervullen van de Tora een enorme liefde hiervoor impliceert, zou tot de conclusie moeten leiden dat het juist waardevol is om deze boeken van Mozes te lezen. Dat zou bovendien meer recht doen aan Israëls grote liefde voor de Tora” (17). Ook wijst Trouwborst erop dat de  gedachte aan een ‘afschaffen’ van de Tora gemakkelijk tot een gevoel van verhevenheid boven Israël zou kunnen leiden. Hij noemt dat “een weeffout die regelmatig in het denken van de kerk voorkwam, en niet zelden tot grote schade heeft geleid aangaande de verhouding met de synagoge” (17).

De vraag is hoe we zulke weeffouten kunnen herstellen en in de toekomst voorkomen. Nu de eeuwenoude substitutie- of vervangingsleer, volgens welke de kerk de plaats van Israël ingenomen zou hebben, tot het verleden behoort (1), algemeen erkend wordt dat God het verbond met Israël niet heeft verbroken (2) en dat Jezus een Jood was die van het bestaan van het Christendom niet heeft geweten (3), komt het erop aan de Bijbel zó te lezen dat Israël en de synagoge niet langer gediskwalificeerd worden als achterhaald, wettisch en kortzichtig, maar gewáárdeerd als een net zo theologisch-legitieme geloofsgemeenschap als de kerk zelf. Dat de kerk daarbij haar eigen accenten zet is logisch.

Het is op deze toonhoogte dat Trouwborst de profeten ter sprake brengt in relatie tot het Evangelie. Daarbij spreekt hij weloverwogen maar vrijmoedig over ‘Jezus als Koning en Messias van Israël’, wat natuurlijk de vraag oproept of daarmee het zelfverstaan van Israël en de synagoge geen onrecht gedaan wordt. Beantwoording van die vraag valt echter buiten het kader van dit boek, temeer omdat de zorgvuldige betoogtrant waarin Touwborst de profeten via het leesrooster ter sprake brengt alleszins de moeite waard is om er kennis van te nemen. Het boek is niet geschreven als een academische verhandeling maar als een handzame hulp bij de voorbereiding op de zondagse kerkgang door zowel predikant als gemeentelid. Als zodanig wil ik het van harte aanbevelen.

Reinier Gosker

Bart Trouwborst, De profeten ter sprake in synagoge en kerk. Een commentaar bij het synagogaal lesrooster en het protestantse gemeenschappelijk leesrooster. Nieuwleusen 2021, 376 blz. ISBN 9789082836929. Prijs € 24,95

[1]    Bedoeld is het Gemeenschappelijk Leesrooster. Dienstboek, een proeve – Schrift Maaltijd Gebed, pag. 1199-1208. Dit leesrooster werd op de eerste advent 1998 in gebruik genomen voor een periode van veertig jaar, en loopt dus af op de laatste zondag van het kerkelijk jaar 2037.