Een nacht Markovitsj

Boekbespreking van Eén nacht, Markovitsj door Ayelet Gundar-Goshen

Ayelet Gundar-Goshen ( 1982, Israël) studeerde aan de universiteit van Tel Aviv psychologie. Na het behalen van haar Master of Arts studeerde ze film-  screenwriting aan de Sam Spiegel Filmschool in Jerusalem.

Voor haar roman Eén nacht, Markovitsj kreeg zij in 2012 de Israëlische Sapir Prijs voor het beste debuut. De Nederlandse vertaling verscheen in 2015. Shulamith Bamberger kreeg voor deze vertaling een projectsubsidie van het Nederlands Letterfonds.

Op bezoek bij haar schoonfamilie in een dorp in de buurt van Tel Aviv hoort ze het verhaal over een groep mannen uit het dorp die naar Nazi-Europa trokken om vrouwen te trouwen om hen zo te helpen vluchten.  Terug in Israël volgde dan direct de scheiding. Er was echter een man die niet wilde scheiden en  de vrouw tegen haar wil aan zich bond. Dit gegeven heeft de schrijfster in dit boek uitgewerkt. Dat de schrijfster naast psycholoog en therapeut ook filmscenario’s schrijft is duidelijk merkbaar. Ze zit in het hoofd van haar personages. Ze gebruikt korte zinnen en beeldtaal, maar vol humor.

Het boek begint eind jaren dertig in een dorp ergens in Galilea.  Ze’ev Feinberg, de man met de grote snor en adjunct commandant Efraim Hendel hebben elkaar ontmoet tijdens een illegale overtocht naar Palestina. Ook Jacob Markovitsj komt uit Europa. Hij praat met de duiven en leest Jabotinsky*. Hij is uitermate geschikt voor het smokkelen van wapens. Als je hem gezien hebt weet je niet meer hoe hij eruit ziet. Sonja de geliefde van Feinberg heeft gezien hoe een man, die een drenkeling wilde redden zelf de dood vond. Dan zijn er ook nog de slager Abraham Mandelbaum van wie “Weinigen wisten dat hij ’s nachts in zijn slaap zijn heimwee in het Pools uithuilde, onbestemde zinnen over een wit lammetje murmelde, over een suikerspin en de gemeenheid van de kinderen.( 16-17)”  Zijn vrouw Rachel Kanzelputt kan het geluid van de brekende schedel van een oude joodse man die in Wenen door jongetjes werd gepest en geschopt niet uit haar hoofd krijgen.

Ze’ev Feinberg en Markovitsj worden door de adjunct naar Duitsland gestuurd om daar te trouwen met joodse vrouwen die op die manier naar Palestina mogen. Intussen wordt de adjunct hopeloos verliefd op Sonja, de naar sinaasappels ruikt. Markovitsj trouwt met de mooie Bella. Terug in Israël weigert Markovitsj van haar te scheiden. En Bella weigert Markovitsj als haar man te accepteren. Markovitsj vergelijkt zijn liefde voor en zijn weigering  om van Bella te scheiden met het land. “Denk je dat het land ons wil? Denk je dat het onze liefde met liefde beantwoordt? Kletskoek! Het kotst ons keer op keer uit, het stuurt ons naar de hel, hakt genadeloos op ons in……….Hoor je iemand zeggen: “Als het land ons niet wil, dan ga ik weg? Hoor je iemand zeggen dat het land vanaf het allereerste moment van je af wil? Nee, je houdt je uit alle macht vast en je hoopt. Je hoopt dat het land uiteindelijk om zich heen kijkt en ons ziet en zegt: “Die daar, Die wil ik”.pag 110

De vrede in 1945 betekent geen vrede in Palestina. Zowel Markovisj, Feinberg als de slager vechten in de onafhankelijkheidsoorlog.  Feinberg, wordt door de adjunct weer naar Duitsland gestuurd om zich daar te voegen bij een groep Joden die jaagt op oorlogsmisdadigers. Feinberg redt een dochter( een baby) van een oorlogsmisdadiger en neemt haar mee naar huis.

Tien jaar later. De kinderen, pubers op weg naar avontuur, zijn in de woestijn verdwaald. Uitgedroogd worden ze door Feinberg, Markovisj en de adjunct teruggevonden. Als Markovits ’s avonds  met Bella in de taxi  naar huis rijdt vraagt hij zich af: mijn vuist kan dat ook weer een hand met 5 vingers worden? Dan zal Bella vertrekken. Maar wat betekent dat voor mij? Moet ik dan mijn land verlaten? Hij geeft Bella de vrijheid. Zij pakt haar spullen in en schuift dan bij Markovisj onder de dekens. Eén nacht. En daarna vertrekt ze. En dat was een goed slot geweest. Maar de schrijfster voegt nog 2 hoofdstukken toe.  Een hoofdstuk over het verdere leven van de adjunct en het laatste hoofdstuk n.a.v het overlijdensbericht van Jacob Markovits. Nog wel de duiven maar geen Jabotinsky.

Het boek lijkt het verhaal van het land, van het volk. Een vuist die niet loslaat. Zal het verjagen van de Arabieren vrede betekenen? Adjunct Efraïm, weet beter. Het  enige waar hij goed in was dat deed hij geregeld: Arabieren doden. Op een feest hoort hij de mensen zeggen: “We hebben ze uit Lod verjaagd, we hebben ze uit Jaffa verdreven, nu zal het land veertig jaar rust hebben”. De adjunct verstijfde halverwege een knik. “Nee”, zei hij, “dat zal het niet”…….Hij had een vrouw gezien die haar dode kind probeerde te zogen. En toen hij in haar ogen keek, toen hij in de ogen van alle Arabieren keek, was het alsof hij zijn eigen ogen in de spiegel zag. Want hij herkende de blik. De blik van iemand die datgene wat hem het allerdierbaarst is aan een ander heeft verloren. (Pag. 210)

*Ze’ev Jabotinsky ( 1880- 1940) geboren in Odessa. Enkele punten uit zijn leven. Hij schreef in 1934 een ontwerp-grondwet voor de Joodse staat die verklaarde dat Arabieren op gelijke voet zouden staan met hun Joodse tegenhangers “in alle sectoren van het openbare leven van het land”. De twee gemeenschappen zouden de taken van de staat delen zowel militaire als civiele dienst, en genieten van haar prerogatieven. Verder stelde hij voor dat het Hebreeuws en het Arabisch dezelfde status zouden hebben, en dat “in elk kabinet waar de premier een jood is, het vice-premierschap aan een Arabier zal worden aangeboden en vice versa.In 1936 bereidde  hij het zogenaamde “evacuatieplan” voor, dat de evacuatie van de gehele Joodse bevolking van Polen, Hongarije en Roemenië naar Palestina  vereiste. ( bron Wikipedia)