Job redt de Naam

Boekomslag "Job redt de Naam"Hoezo redt Job de NAAM?
Voor het magazine ‘Op Weg. Ontmoeting met het Jodendom’ schreef ik een aankondiging van het boek ‘Job redt de NAAM’1. De daarvoor toegemeten ruimte in het blad is zo minimaal dat ik haar afsloot met een verwijzing naar de website van ‘Kerk & Israël Noord’, waar ik alle ruimte kreeg die ik nodig had. Hieronder staat de korte aankondiging, gevolgd door een
nadere verkenning van het boek.

‘Job redt de NAAM’ is de programmatische titel van een boek over een NAAM die verloren lijkt te gaan. In de joodse traditie geldt ‘de NAAM’ als een aanduiding voor de Eeuwige, de God van Abraham, Isaak en Jakob, over wie in Tora en Profeten verteld wordt dat hij zich van andere goden onderscheidt door de nazaten van Jakob uit de slavernij te bevrijden en ze de weg naar de vrijheid te wijzen. Dit bracht in de wereld een beweging op gang die niet meer te stuiten leek en zich in tal van emancipatie- en bevrijdingsbewegingen voortplantte tot op de dag van vandaag. Hoewel je je soms vertwijfeld afvraagt of de beweging er misschien uit is omdat de tegenkrachten te sterk geworden zijn en de zeggingskracht van het Grote Verhaal teloor gegaan is. “Was het dan allemaal voor niets?”
Met die vraag begint de theoloog en socialist Dick Boer zijn boek over Job.

Ik heb altijd gedacht dat het boek Job de vraag stelde naar het lijden. Dat het argumenten leverde voor een theodicee, voor een theologische rechtvaardiging van God voor het kwaad in de wereld. Maar het boek van Dick Boer opende mijn ogen voor iets anders, voor het grenzeloze vertrouwen dat de Eeuwige stelt in de mens als zijn bondgenoot. Zelfs als de NAAM zich van het wereldgebeuren afzijdig houdt en de mens tot het uiterste beproefd wordt vanwege de teloorgang van wat Tora en Profeten beweren, blijkt hij (Job) de NAAM niet te loochenen. ‘Job redt de NAAM’ is een adembenemend boek dat oproept trouw te blijven aan het Grote Verhaal hoewel het zijn zeggingskracht verloren heeft en niet meer werkt … totdat de Eeuwige zelf het Woord neemt.

Een nadere verkenning van
‘Job redt de NAAM’

‘Was het dan allemaal voor niets?’
Teloorgang van Tora en Profeten? Een Groot Verhaal dat niet meer werkt? Job redt de NAAM? Waar gaat dit in hemelsnaam over? Nou ja, niet in hemelsnaam, want het bijbelboek Job is nu juist zó geconstrueerd dat de Hemel2 buitenspel staat. Alleen aan begin en einde ervan speelt de Hemel een rol. In de rest van het boek hebben de Tegenkrachten vrij spel om het leven van de oprechte en godvrezende Job tot een martelgang te maken. De afwezigheid van de Hemel laat toe dat Tora en Profeten op aarde verstommen en het Grote Verhaal verschrompelt. Job blijft met de brokken zitten.
Precies daarin spiegelt zich de ervaring van Dick Boer wanneer hij zich na de verschrompeling van het socialisme afvraagt, wat er nog over is van alles waarin hij geloofde. “Was het dan allemaal voor niets?” (pag.11). We hebben het over de ‘Wende’ van 1989/90, de korte periode na het vallen van de Berlijnse Muur. Dat is inmiddels ruim dertig jaar geleden, maar de klap dreunt na in het leven van een ieder die iets met het socialisme had, zoals ik zelf toen ik van 1977 tot 1981 als vicaris verbonden was aan de Nederlandse Oecumenische Gemeente in de voormalige DDR.

Bij het zoeken naar een antwoord op de gestelde vraag besloot de auteur op enig moment zich te laten leiden door het Bijbelboek Job. Dat idee kwam niet uit de lucht vallen. Volgens theoloog en geestverwant Ton Veerkamp3 is het bijbelboek Job pas ontstaan toen Tora en Profeten niet meer functioneerden omdat het ‘Israël-project’ tijdens de Tweede Tempel Periode ten onder gegaan was in de vloedgolf van het Hellenisme4. Job (= Israël) raakt alles kwijt maar overleeft de vloedgolf en vraagt zich af wat hij moet doen nu het perspectief, dat Tora en Profeten tot iets leiden, hem uit handen geslagen is. Jobs vraag is dezelfde als die van Dick Boer. Zonder zich met Job op één lijn te plaatsen durft de auteur het aan om het gelijknamige bijbelboek te lezen “alsof het voor hem geschreven is” (7). Het is aan de lezer of ook hij/zij die uitdaging wil aangaan. Ik deed het en lag er wakker van. Aan het slot van dit relaas zal ik vertellen waarom. Maar eerst stip ik een paar dingen aan die voor de lezer van belang zouden kunnen zijn.

Over de auteur en mijzelf
Ik leerde Dick Boer kennen in de zeventiger jaren van de vorige eeuw als één van de toonaangevende theologen in de beweging Christenen voor het Socialisme. Ik was in die beweging verzeild geraakt na de moord op de Chileense president Allende en maakte er kennis met een enthousiast Barthianisme dat ik aan de theologische faculteit van de VU waar ik studeerde, zó niet had leren kennen. Ook ging dankzij de bijbelse theologie van Karel Deurloo en Frans Breukelman, die er eveneens opgang maakte, de Bijbel voor mij open als een boek dat werkelijk iets te vertellen had over de wereld waarin ik leefde.
Ook leerde Dick Boer mij de krant lezen door erop te wijzen dat politiek en economie wel op verschillende pagina’s staan afgedrukt, maar dat je ze vooral ‘gelijk op’ moet lezen. Geen wonder, want hij was theoloog én communist. Niet alleen in naam, hij was daadwerkelijk lid van de Communistische Partij van Nederland. Voor mij als gereformeerde jongen was dat een ongekende uitdaging: christen en communist? Was dat mogelijk? Ontkennen kon niet, want Dick Boer stond in levende lijve voor me en kraamde geen onzin uit. In tegendeel. Er ging een nieuwe hoopvolle wereld voor me open!

Kort daarna werd ik vicaris van de Nederlandse Oecumenische Gemeente (NÖG) in Berlijn met als opdracht te werken aan de versterking van het NÖG-gemeenteleven op het territoir van de Duitse Democratische Republiek (DDR). Ook daar kwam ik Dick tegen, al was ik weer terug in Nederland toen hij als opvolger van Bé Ruys predikant werd van de NÖG en er werkte van 1984 tot 1990. Als predikant in de DDR maakte Dick de val van de Berlijnse Muur mee én het tragische verloop van de ‘Wende’, toen de socialistische idealen van velen in de DDR veronachtzaamd werden in het éénwordingsproces met de Bondsrepubliek Duitsland. “Was het dan allemaal voor niets?” Op zoek naar literatuur over deze periode herinner ik me de roman van Ingo Schultze5. Dick zelf liet mij weten dat het gedicht ‘Das Eigentum’ van Volker Braun voor hem “dé tekst is die in dit verband genoemd kan worden”.

Da bin ich noch: mein Land geht in den Westen.
KRIEG DEN HÜTTEN FRIEDE DEN PALÄSTEN.
Ich selber habe ihm den Tritt versetzt.
Es wirft sich weg und seine magre Zierde.
Dem Winter folgt der Sommer der Begierde.
Und ich kann bleiben wo der Pfeffer wächst.
Und unverständlich wird mein ganzer Text
Was ich niemals besaß wird mir entrissen.
Was ich nicht lebte, werd ich ewig missen.
Die Hoffnung lag im Weg wie eine Falle.
Mein Eigentum, jetzt habt ihrs auf der Kralle.
Wann sag ich wieder mein und meine alle.6

Voor wie het boek wél en niet geschreven is
Inmiddels leven we ruim dertig jaar later en legt diezelfde Dick Boer een boek op tafel met als ondertitel ‘Verklaring van het boek Job’. Hoewel hij geen professioneel bijbelwetenschapper is en naar eigen zeggen aangewezen op de hulp van vakgeleerden, waarschuwt hij zijn lezers nog voor iets anders. Bij de presentatie van de oorspronkelijk Duitse uitgave van zijn boek realiseerde hij zich “hoe belangrijk het is dat de lezer met de auteur de ervaring deelt ooit gehoopt te hebben dat een andere, een nieuwe wereld mogelijk is om nu te moeten vaststellen dat die hoop ‘voor niets’ lijkt te zijn geweest”(9).
Vijf pagina’s later noteert hij dat voor diegenen die nog wél een sprankje hoop hebben, omdat in hun ogen niet alle actuele pogingen om de wereld te veranderen zinloos zijn, “het boek Job (nog) niet geschreven is” (14).

Zo’n zinnetje stemt tot nadenken. Vooral omdat de auteur in de kleine lettertjes van een terzijde opmerkt: “Het is zeker niet juist om hun dit ‘het was allemaal voor niets’ met alle geweld op te dringen.” Het lijkt vervolgens wel alsof de auteur, met Job aan zijn zijde, tegen zijn eigen ervaringen in, zich moed laat inspreken door het Bijbelboek Job zelf: “De betekenis van het boek Job is juist om met Job op een mens te wijzen die de ervaring van het nihil meemaakt en tot het einde toe moet doorstaan en toch niet capituleert, die ten overstaan van de totale vertwijfeling volhoudt: het kan niet allemaal voor niets geweest zijn. Zonder deze strijdbaarheid kan de betekenis van het boek Job slechts begrepen worden als het dragen (hoe dapper ook) van het lot: Job, de man die duldt. Het boek moet moed doen vatten. Het zou gewetenloos zijn, de mensen die dit nog altijd hopen, ermee om de oren te slaan” (14). Excuus voor het lange citaat, maar erover nadenkend realiseer ik mij te behoren tot diegenen die zich vasthouden aan een al dan niet irrealistische hoop dat een andere wereld mogelijk is, – wanneer niet nú, dan later.

Maar voor wie heeft Dick het boek dan wel geschreven? Antwoord: voor hen die “over hun hoop alleen nog spreken in de verleden tijd: ‘maar wij hadden zo gehoopt’ (Lucas 24,21)”. Daarbij denkt de auteur niet alleen aan de beide Emmaüsgangers maar vooral aan de militante atheïsten in de arbeidersbeweging. Hij vraagt zich af waaraan zij dan nog de moed zouden kunnen ontlenen om trouw te blijven aan de zaak van de bevrijding in een wereld zonder perspectief. En hij voegt er verrassend aan toe: “Voor hen is het boek Job geschreven” (15). Hoezo voor hen? Dick Boer antwoordt: omdat waar alle perspectief ontbreekt “de NAAM gered moet worden, of, in de taal van de militante atheïsten, de zaak.” Want, zo vervolgt hij: “zonder de redding van de NAAM of de zaak zouden we de overgrote meerderheid van de mensen, nee: de mensheid zelf, moeten opgeven. Het nihilisme zou definitief gewonnen hebben” (15).

Vechten tegen het nihilisme
Heeft het nihilisme dan niet gewonnen? Dat is de vraag, temeer omdat de nihilistische ervaring ook door de bijbel serieus genomen wordt. Bijvoorbeeld waar het slavenvolk in Egypte geen uitweg ziet en de rest van wereld in alle talen zwijgt. Nihil is de respons, uitzichtloos de situatie … “tenzij er, wat in de wereld niet voorzien was, een wonder plaatsvindt” (16). Over dit “absolute wonder” vertelt de bijbel. Hoe je ook over wonderen denkt, het verhaal heeft zijn uitwerking in elk geval niet gemist. Maar dat dát niet altijd zo is, hebben mensen óók moeten ervaren. Volgens Dick Boer werpt de schrijver van het boek Job zich op als advocaat van deze mensen: “hij (…) stelt in hun naam de vraag: hoe kunnen we leven in een wereld zonder perspectief en toch trouw blijven aan de NAAM?” (16).

Maar waarom zouden we dat willen? Trouw blijven aan de NAAM en aan de zaak in een wereld zonder perspectief? Antwoord: omdat de schrijver van het boek Job ons wil behoeden voor berusting. Anders zou het nihilisme inderdaad gewonnen hebben! Dus construeert hij een verhaal, een geschiedenis “waarin de NAAM er werkelijk niet meer is, waarin zijn volk daadwerkelijk op zichzelf is aangewezen. Hij probeert zijn lezers duidelijk te maken dat juist in deze ‘goddeloze’ situatie de zin van hun bestaan te zoeken was. Want het hangt nu van hen af of de NAAM die blijkbaar verdwenen is, gered wordt” (16).

Direct hierop volgt een dogmatische excurs over het onderricht van Karl Barth inzake de nihilistische ervaring van het ‘Nichtige’ als datgene wat God niet wil (KD III/3, 406). Aan het einde van deze excurs stelt Dick Boer de vraag of de christelijk theologie, inclusief die van Karl Barth, blind is voor het gegeven “dat er mensen zijn die de nihilistische ervaring nooit achter de rug hebben” en “voor wie de reële bevrijding van het ‘Nichtige’ hooguit een gebeuren is dat nog uitstaat” (19). Hij herinnert daarbij aan een andere geestverwant van hem, aan de in 2002 overleden Berlijnse theoloog Friedrich-Wilhelm Marquardt, die zijn theologisch spreken precies dáárom conditioneert in de formule ‘Zo God wil en Hij leeft’. Tot hoever gaat Dick Boer hierin met Marquardt mee? Job redt de Naam! Is Dick Boer nú net zo’n eenling als Job toen? Of geeft hij Marquardt het voordeel van diens twijfel?

Het belang van het Vorverständnis
Ik heb Dick uitvoerig geciteerd, wellicht té uitvoerig. Maar ik wilde dan ook de noodzaak en de urgentie van zijn boek aantonen. Over die urgentie straks meer. Nu eerst een paar andere zaken.

Job = Israël noteerde ik hierboven. Daar zijn lang niet alle exegeten het over eens (23). De auteur gaat niet in op de finesses van deze kwestie, maar hij kiest wel zijn eigen positie te midden van alle mogelijkheden. Die keuze is als Vorverständnis bepalend voor het lezen en begrijpen van zijn boek (49-50). Welnu, Dick Boer beschouwt Job, de man uit het land Oets (Job1,1), als een Israëliet in ballingschap.
De gesprekspartners van Job zijn dat niet. Zij zijn gojim, maar wel vertrouwd met de Tale Kanaäns. “Kameraden” noemt Dick Boer ze in navolging van Martin Buber, en geeft en passant een beschrijving van wat kameraadschap is. Iets anders dan vriendschap! “In de arbeidersbeweging gaat het niet om vriendschap maar daarom dat je je met elkaar in de zaak verbonden weet, in de zaak van het socialisme, van de kameraadschap, zonder welke de arbeiders verloren zouden zijn. De mannen van wie hier sprake is, zijn dus ‘zakelijk’ met Job verbonden” (46).

De kameraadschappelijke gesprekken van Job met Elifaz, Bildad en Zofar en ten slotte met Elihoe, worden gevoerd op het scherp van de snede, waarbij de vertrouwd klinkende Tale Kanaans van de vier kameraden botst met de geest en logica van Tora en Profeten, hoorbaar in Jobs woorden. Modern gezegd: Jobs denkwereld is die van de bijbelse theologie, die van zijn vrienden is de natuurlijke theologie. Maar zelfs als beide partijen dezelfde woorden gebruiken, zeggen ze iets anders. Met het fileermes van de Amsterdamse school7 legt Dick het haarscherp uiteen. Het is God tegen God. In elk gesprek is het de vraag: wie vertegenwoordigt welke God? Is het de God uit de wereld van de gojim, óf die van Israël, óf een mengvorm van beide? De NAAM zelf komt in de gesprekken niet voor – afgezien van 12,9 als uitzondering op de regel. De NAAM meldt zich pas aan het einde van het bijbelboek wanneer Job tegenover zijn kameraden in het gelijk wordt gesteld.

Invloeden van de joods-christelijke dialoog
In de joods-christelijke dialoog leerden we een vraagteken zetten bij het leerstuk van de rechtvaardiging door het geloof waar deze leer zich afzet tegen een veronderstelde werkgerechtigheid in het Jodendom8. Het gaat in het Jodendom echter niet om werkgerechtigheid maar om verbondstrouw. Je aan de gemaakte afspraken houden behoort tot de logica van een verbond. Het Jodendom leert de geboden (mitswot) te onderhouden uit liefde tot de partner en omwille van de instandhouding van het verbond. Dat er ook zegen op rust spreekt vanzelf en behoort tot de kwaliteit van het verbond. Gewapend met deze kennis kritiseert de auteur alweer twee van zijn geestverwanten. Aan Karl Barth stelt hij de vraag waarom het hem zo zwaar valt “om de gerechtigheid door werken als belofte van de Tora zelf met vreugde (Simchat Tora) te erkennen” (62). En denkend aan Miskotte’s commentaar op het antwoord van Job in 42,4-69 stelt hij de vraag “waarom hij [Miskotte] zover ging om te zeggen ‘dat wij tegenover God altijd ongelijk hebben’” (62). Had Job dan ongelijk? Volgens Dick Boer niet: “’herroepen’ heeft Job nooit!” (9).

Dat brengt mij bij de vertaling van Jobs antwoord in 42,2-6. Al in het voorwoord bij de Nederlandse uitgave van zijn boek meldt de auteur, dat hij Martin Buber, Ton Veerkamp en Pieter Oussoren in hun vertaling van Job 42,6 niet volgen kan. Waar Job op welke wijze dan ook een stapje terug of opzij zou hebben gedaan, houdt Dick Boer vol dat Job zich niet vergist heeft, én dat ook Job zèlf dat vindt. Job verwerpt (Buber) niks, noch smijt hij iets weg (Veerkamp), laat staan dat hij iets zou herroepen en berouwen (Oussoren). Nee! In tegendeel. Nadat de NAAM eindelijk, enkel en alleen door te antwoorden, aan Job te kennen geeft dat hij ook in zijn áfwezigheid áánwezig was … “laat Job het erbij en is hij getroost over stof en as [waarin hij leven moet]”, – aldus de vertaling van Dick (190).

Over de afwezige aanwezigheid van de NAAM
Het is verleidelijk om in te gaan op de vertaalkwestie10 die uiterst belangrijk is voor de wijze waarop Dick Boer het boek Job verstaat. Hier staat alles op scherp. Want het is de door Job ervaren “afwezige aanwezigheid van de NAAM” (189), die aan Job/Israël/ons laat weten: “het komt op jou aan, aan jou de taak om de eer11 van de NAAM te redden die zichzelf niet meer redden kan” (187). Het hoge woord is eruit! Dit is waarvan ik wakker lig. Het gaat hier inderdáád om een ‘Jobstijding’, alleen niet vóór Job maar van Job! Zullen kerk en theologie in de 21e eeuw de taak om de NAAM te redden op zich nemen? Weten zij zich aangesproken door de NAAM die zichzelf niet meer redden kan? Of lopen we/ze ervoor weg? En dat terwijl de theologie op sterven na dood is om te worden afgelost door de religiewetenschappen. Tóch kan ze de taak om de Naam te redden niet overlaten aan de religiewetenschappen, want die zijn daarvoor niet in het leven geroepen, en zijn daartoe ook niet bekwaam. Toch ligt de vraag op tafel nu Dick zijn boek geschreven heeft: gedrukt en wel, zwart op wit!

Slotbeschouwing
Aanvankelijk vond ik het lezen van Dicks commentaar op de eindeloze gesprekken tussen Job en zijn kameraden best zwaar12. Na enkele hoofdstukken gelezen te hebben begon ik opnieuw en las telkens éérst het betreffende bijbelgedeelte in de vertaling van Pius Drijvers en Pé Hawinkels13. Ik kreeg dan een vermoeden waarover het ging en las met verhoogde aandacht het commentaar van Dick Boer. Ik las zijn commentaar woord voor woord om de draad niet kwijt te raken. Volg je die draad dan kom je ook ergens, namelijk bij de vraag die Dick op tafel gelegd heeft. Een vraag waar de theologie m.i. niet omheen kan zonder haar geloofwaardigheid te verliezen.

Welnu, in joodse kringen wordt soms ‘witzig’ opgemerkt: ‘Of God bestaat weet ik niet, als je maar doet wat hij zegt’. Is ook christelijke theologie in staat deze gedachte vruchtbaar te maken voor de tijd waarin wij leven? Volgens Rinse Reeling Brouwer rekent Dick Boer ermee “dass diese Denkbewegung sich kaum noch in eine christliche Theologie integrieren lässt”14. Maar de gedachte komt, ook volgens Reeling Brouwer, dicht in de buurt van wat Dick Boer noemt: “leven met de utopisch geworden utopie, ‘etsi deus non daretur’, ook als God er niet zou zijn” (187). Met deze woorden ‘etsi deus non daretur’ betrad Dietrich Bonhoeffer het spanningsveld van de christelijke theologie. Maar staat hij ermee buitenspel? Dat geloof ik niet. Leven met de utopisch geworden utopie betekent Tora en Profeten serieus nemen als echo’s van de NAAM die ooit tot Israël sprak: ‘Ik ben JHWH, jouw God, die je uit Egypte, uit het slavenhuis, heeft doen uitgaan'(Ex. 20,2). Door Tora en Profeten te beschouwen als vestigia Dei, aanwijsbare sporen van de NAAM, worden ze niet minder belangrijk!

Omdat Job, anders dan zijn kameraden, in een godloze constellatie overeind gebleven is, antwoordt de NAAM. Daaraan ontleen ik de moed om mijn geloof niet op te geven. Ik troost mij met de gedachte dat het antwoord op de vraag of Job/Israël/wij bereid zijn om de NAAM te redden, niet alleen afhankelijk is van kerk en theologie als plekken waar de Schriften nog altijd gelezen en bestudeerd worden, maar ook van allen die zich niet aan het nihilisme gewonnen geven door te blijven protesteren tegen een verkeerde wereld.

Op de valreep
Na afronding van dit essay verscheen van de hand van Dick Boer een introductie op het hele theologisch werk van Ton Veerkamp onder de titel ‘Maar wij hadden zo gehoopt’.15
Het boekje laat zien hoe in theologisch opzicht Ton Veerkamp en Dick Boer aan elkaar verwant zijn, en waar zij vragenderwijs verschillende wegen gaan. Dit “portret van een eigenzinnig en tegendraadse Schriftgeleerde”, zoals Veerkamp op de achterflap van het boek wordt aangeduid, eindigt met eenzelfde aanmoediging als waarmee ‘Job redt de NAAM’ eindigt: “Het Grote Verhaal gaat niet onstuitbaar vooruit naar de grande finale van een nieuw hemel en een nieuw aarde, eerder beweegt het zich van nederlaag naar nederlaag. Maar het gebod blijft om dorwador, van geslacht op geslacht, het verhaal van TeNaCH en evangelie door te vertellen. Want het verhaal blijft.”16
Reinier Gosker


1 Dick Boer, ‘Job redt de NAAM. Een verklaring van het boek Job’, Uitgever: bc.bs, 2020. 203 blz. ISBN: 978 94 640 3564 3. Prijs: € 20,99. (Vertaling uit het Duits door Greetje Witte-Rang. Oorspronkelijke titel: ‘Wenn nichts mehr stimmt … Hiob rettet den NAMEN’. Argument Verlag 2019)
2 ‘Hemel’ is een discrete aanduiding voor God, overgenomen uit het rabbijns-hebreeuwse spraakgebruik, – zie het voorwoord van Peter J. Tomson in zijn boek: ”Als dit uit de Hemel is …’ Jezus en de schrijvers van het Nieuwe Testament in hun verhouding tot het Jodendom’, Hilversum 1997. Hetzelfde geldt voor het gebruik van de aanduiding ‘de NAAM’ (Hebreeuws: Hashem) zoals Dick Boer die hanteert.
3 Zie noot 15
4 Ton Veerkamp, ‘Die Welt anders’, 2012. Nederlandse vertaling: ‘Deze wereld anders. Politieke geschiedenis van het Grote Verhaal’, Skandalon 2014, pag. 147-276
5 Ingo Schulze, ‘Neue Leben’, Berlin 2005. Nederlandse vertaling: ‘Nieuwe levens. De jeugd van Enrico Türmer in brieven en proza’, Amsterdam 2007.
6 Ik ben er nog: mijn land gaat naar het Westen. / OORLOG AAN DE HUTTEN VREDE VOOR DE PALEIZEN, /
Ik zelf heb het de laatste trap gegeven, / Het werpt zich weg en zijn schamele pracht. / Op de winter volgt de zomer der begeerte. / En ik kan zien waar ik blijf. / En onverstaanbaar wordt alles wat ik schreef / Wat ik nooit bezat wordt mij ontroofd. / Wat ik niet leefde, zal ik eeuwig missen./ De hoop lag in de weg als een valstrik. / Mijn eigendom, nu hebben jullie het in de klauwen. / Wanneer zeg ik weer: het was van mij en dus van allen. (Vertaling Dick Boer)
7 Bedoeld zijn de exegetische methode en bijbelse theologie van Frans Breukelman, Karel Deurloo e.a.
8 Zie het internetproject ‘De Uitdaging’, toelichting en samenvatting van stelling 6 en 7 –
https://www.joods-christelijke-dialoog.nl/deuitdaging/
9 K.H. Miskotte, ‘Antwoord uit het onweer. Een verhandeling over het boek Job’, in: Verzameld Werk 10, Kampen 1984, pag. 201-205
10 Ik moest bij Dicks vertaling denken aan die van Chaim van Unen, die schreef over ‘Jobs vermeende berouw’ en dicht bij Dick in de buurt komt met zijn vertaling van 42,6: “Daarom walg ik nu wel van mijzelf (doelend op de fysieke situatie waarin Job verkeert), maar vertroost mij over stof en as‘. Zie: Chaim van Unen, ‘Job. Dwarsligger of Verbondgenoot? Een nieuwe kijk op een oud boek’, Kampen 1987, pag. 75 e.v. Ook op andere punten komt Van Unen dicht in de buurt van Dicks Job-interpretatie.
11 Waarom spreekt de auteur op het moment suprême van zijn betoog opeens over het redden van de eer van de Naam? Deinst hij onbedoeld terug voor de uiterste consequentie van zijn betoog dat niet de eer van de NAAM, maar de NAAM zèlf gered moet worden? Gezien de rest van de zin kan het alleen
onbedoeld zijn geweest en gaat het om een al te begrijpelijk eufemisme. De eer van de Naam had Job immers al gered door (de zaak van) de Naam tegenover zijn kameraden ten einde toe te verdedigen.
12 Terecht merkt Wout van der Spek op dat je het boek maar beter niet in een ruk uitleest: “Neem er rustig een paar dagen de tijd voor, het boek is het waard.” Zie: ‘Ophef. Tijdschrift voor hartstochtelijke theologie’, 4/2020, pag. 48.
13 Pius Drijvers en Pé Hawinkels, ‘Job-Prediker, vertaling met commentaar en verklarende aantekeningen’, Baarn 1993
14 Zie het ‘Wort zum Geleit’ in: Dick Boer, ‘Theopolitische Existenz – von gestern, für heute’, Argument Verlag 2017, pag.13, waar Reeling Brouwer de gedachte van Jeschajahu Leibowitz “Denn auch wenn Gott verborgen ist (sich verbergt), wir haben immer noch sein gebot, das Rechte zu tun” als redegevend aanvoert voor Jobs reactie op Gods antwoord.
15 Dick Boer, ‘Maar wij hadden zo gehoopt. Het dwarse denken van Ton Veerkamp’, Kok/Boekencentrum, Utrecht 2021. 124 blz. ISBN: 978 90 435 3599 1. Prijs € 14,99
16 idem, pag. 124