Net Goed!?!

Door: Bart Gijsbertsen

Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.

 
Kinderbijbel
Ik herinner me uit mijn jeugd nog veel verhalen uit de kinderbijbel. Juist die kinderbijbel-verhalen (en schoolplaten) gaan een leven met je mee. Maar in de loop van je leven merk je ook dat je nogal eens op het verkeerde been bent gezet. De rook van het offer van Abel ging omhoog en die van Kaïn naar beneden? Nicodemus bezocht Jezus in de nacht omdat hij bang was dat ze hem zouden ontdekken? In de echte Bijbel staat iets heel anders. Maar tegen de tijd dat je dat ontdekt – áls je het tenminste nog ontdekt! – valt het niet mee om dat vertrouwde verhaal van vroeger voor jezelf nog te corrigeren.

Bevrijding uit Egypte
Zo herinner ik me ook hoe de ontsnapping uit Egypte werd verteld. Eindelijk zou Israel bevrijd worden uit de verdrukking. Maar die ellendige Egyptenaren en achterbakse Farao achtervolgden het volk. Gelukkig deed God een wonder. Toen Israel bij de zee stond maakte Hij een pad voor hen midden door het water. Zo konden ze veilig naar de overkant. Maar de Egyptenaren gaven het nog niet op. Met hun strijdwagens kwamen de soldaten het volk dwars door de zee achterna. Maar toen liet God het water terugstromen en de Egyptenaren verdronken allemaal. Net goed!
En zo gaat zo’n verhaal dan met je mee. Inclusief dat ‘Net goed!’.

Net goed?
Inmiddels ben je volwassen geworden. En je hoort in een kerkdienst een bevrijdingslied klinken, een lied van Ad den Besten (NLB 709). Daarin klinkt ‘Gods vijanden vergaan’. En onbewust denkt het kind in je weer aan dat ‘Net goed’.
Maar dat ‘Net goed’ was er door de verteller bij verzonnen. Want zo eenvoudig liggen de dingen niet. Ad den Besten blijkt dat maar al te goed te weten als hij mediteert over de bevrijding van 1945. Hij eindigt zijn gedicht zelfs met: Als wijzelf nu maar niet vergaan.
In de Joodse traditie wordt verteld dat de HERE God zelf zo ontzet was over al die Egyptenaren die omkwamen dat Hij de engelen verbood een lofzang te zingen over deze bevrijding.
Die traditie kan ik in onze Bijbels zo niet terugvinden. Maar ik zie daar wel iets dat hier heel veel op lijkt. Je vindt het in Exodus 13; nadat verteld is over  Pesach en de dood van de paaslammeren, en vlak voordat de doortocht door de Rietzee plaatsvindt. Wat wordt daar in Exodus 13 gezegd?

Exodus 13
De doodsengel is rondgegaan en heeft alle eerstgeborenen in Egypte getroffen. Maar bij het volk Israel is niemand gestorven, want de engel ging aan elke woning voorbij (pesach=voorbijgaan) die beschermd werd door het bloed, het leven van een paaslam. Betekent dit dat Israel nu een lange neus kan maken naar de Egyptenaren; ‘eigen schuld, dikke bult’; ‘Net goed!’? Nee, integendeel.
We horen dat Israel twee plichten opgelegd krijgt.
De eerste verplichting is: het volk moet voor altijd en eeuwig aan dit paaslam en het voorbijgaan van de dood denken. En dat moeten ze doen door jaarlijks op die datum matses, ongedesemd brood te eten.
De tweede verplichting is: het volk moet nu zelf voor altijd en eeuwig elk eerstgeboren dier in de kudde en elke eerstgeboren zoon aan de HERE God afstaan.
Dat zet je wel aan het nadenken.

Om niet te vergeten
Zouden Egyptenaren anno 2021 nog weten dat de ‘lossing van de eerstgeborenen’ onder het Joodse volk zijn wortels heeft in oeroude Egyptische geschiedenis?
Want kijk, we zijn nu zo’n 3500 jaar verder, maar Israel voldoet nog altijd aan de opgelegde verplichtingen. Met Pesach worden er matses gegeten. En Joodse vaders gaan bij de geboorte van een eerstgeboren zoon nog altijd naar een rabbijn om hem vrij te kopen. Dus Israel draagt als het ware het verdriet van de Egyptische gezinnen nog steeds met zich mee, bedenkend wat de bevrijding gekost heeft.
Want waren de Israëlieten zelf per saldo zoveel beter dan de Egyptenaren? Hadden zij hun bevrijding wel verdiend?
Nee, het was een gave, een genade van Godzelf om hen te bevrijden. En als Schepper van Israel én van Egypte besloot Hij om dit zo te doen als wij het verhaal nu kennen. Maar Hij verplichtte toen Israel onmiddellijk om dit nooit meer te vergeten. En zo is er nog altijd dit gebruik ‘om ons eraan te herinneren dat het de HERE was die ons met krachtige hand uit Egypte heeft bevrijd’ (Ex.13:16).
In elk geval: ‘Net goed!’? Nee dus. ‘Niet goed’. God die zijn eigen schepselen doodde om andere van zijn schepselen te redden.

Jezus en Pesach
En – met deze woorden van Exodus 13 in je achterhoofd – luister dan zo eens naar de pesach-viering van Jezus met zijn leerlingen.
Als Hij met zijn discipelen matses zit te eten en aan het paaslam denkt, realiseert Hij zich heel goed dat de bevrijding van Israel ten koste ging van de Egyptenaren. Kan kwaad alleen met kwaad vergolden worden? Moet geweld met wraak worden opgelost?
En van horen zijn discipelen Hem zeggen: de eersteling van Israel moet ook sterven. De eersteling van Israel moet solidair worden met de Egyptenaren; en met alle mensen. Ook de heidenvolken moeten een lofzang kunnen aanheffen vanwege een bevrijding. Ook zij moeten worden bevrijd van donker en dood; ook voor hen moet er een pesach, een voorbijgaan komen.
En zo ging Hij zijn eenzame weg door Getsemané en aan het kruis. Als er geen andere weg uit alle donker en geweld is dan dat de eerstgeborene van Israel en God zichzelf geeft als paaslam, klinkt uit zijn mond: ‘Uw wil geschiede’. Laat zo Gods wil, Gods heilsplan voor de wereld, worden vervuld.

Nooit meer ‘net goed’
En daarom vieren nu ook wij, heidenvolken, altijd Pasen. Ook ons paaslam is geslacht. En wij kunnen daarbij wijzen op dat teken aan ons voorhoofd, die doop, die doorgang door de ‘Rode Zee’, onze bevrijding die ten koste ging van Gods eigen Zoon. En wij belijden: hierom zijn we Hem altijd en eeuwig toegewijd.
Dat betekent dat nu ook voor ons in zekere zin Exodus 13 geldt. Wij zeggen nooit meer tegen onze vijanden: ‘Net goed!’. Want wie we ook op onze weg tegenkomen, we beseffen: wijzelf zijn in wezen niets beter dan die ander. We wéten misschien beter. Omdat we geloven in Pasen, geloven in bevrijding van donker en dood door het leven van het paaslam. Maar die bevrijding is dus niet onze verdienste. Het is Gods genadegave.
En vanwege Exodus 13 en de doortocht van Jezus zingen we onze paasliederen een stuk minder onbevangen dan toen we kinderen waren. We zijn ook bewogen om al die mensen in donker en dood die nog van geen bevrijding weten. Ook al zouden dat onze vijanden zijn. Er klinkt een gebed uit onze mond, ook voor ‘de paarden en hun ruiters’.

Bart Gijsbertsen