Nooit meer terug naar dat land

Nooit meer terug naar dat land – door Uta Gerhardt en Thomas Karlauf
Verhalen over de Kristallnacht 1938  – ISBN 9789023458715

Op een oproep van de universiteit van Harvard in 1939 aan joden die net uit Duitsland waren geëmigreerd om hun ervaringen uit de Kristallnacht van 9 op 10 november 1938 op papier te zetten reageerden meer dan 250 emigranten. De publicatie van de verhalen werd verhinderd door het uitbreken van de oorlog.
Een paar jaar geleden kwamen de verhalen weer boven water. De verzamelde verhalen over de discriminatie, vernederingen, de onmenselijke toestanden in overvolle cellen en kampen zijn even gruwelijk als aangrijpend. Honderden kwamen die nacht om en 30.000 werden opgesloten.

Uta Gerhardt is sociologe en doceerde aan de universiteiten van Berlijn, New York, Londen en Harvard.                                                                                                                                                                                  Thomas Karlauf is auteur en was 10 jaar redacteur van Castrum Peregrini.

Een kleine greep uit de verhalen:

“03.00 uur
Ik riep tegen mijn vrouw: niet schrikken, het zijn mensen van de Partij, blijf vooral rustig. Toen ging ik in pyjama naar de voordeur en deed open. Een walm van alcohol sloeg me tegemoet en de bende drong het huis binnen. De telefoon werd in één keer van de wand gerukt. Een leider van de zwarte SS , wiens gezicht groen zag van de drank, zette zijn pistool, dat hij voor mijn ogen ontgrendelde, tegen mijn voorhoofd en lalde : weet je waarom we hier zijn smeerlap. Ik antwoordde nee en hij vervolgde : vanwege die smeerlapperij in Parijs ( de aanslag op de diplomaat Von Rahn) waar jij ook schuldig aan bent. Als je het waagt je te verroeren knal ik je neer als een varken.
De pesterijen gaan door en het hele huis wordt op de kop gezet.”

“In Neurenberg kreeg de hele SA het bevel rond middernacht in vol ornaat  aan te treden op de Marktplatz.
Wij woonden in een groot blok, eigendom van mijn familie met een grote lege binnenplaats met achterhuizen en opslagplaatsen. Tegen  drie uur in de ochtend schrokken wij, mijn vrouw en ik wakker. Bij de voordeur hoorden wij een vreselijk gebrul. Ik zag in het donker een stel mensen voor het huis staan: Open maken , meteen open maken. Ik belde met het Hoofdbureau van Politie : Een hoop gepeupel probeert mijn huis binnen te dringen.  Bent u Arisch vroeg een vrouwenstem. Nee antwoordde ik. Zonder enige toelichting werd de verbinding verbroken.
De volgende avond kwam een agent: het spijt me ik moet u arresteren. Op het politiebureau zeiden ze tegen mijn vrouw: Ga maar naar huis. U zult uw man misschien na een paar jaar dwangarbeid in een concentratiekamp terugzien als hij dan nog leeft.”
Het transport naar de gevangenis vond plaats per open auto, terwijl het bitter koud was. Toen we aankwamen werden we naar een cel gebracht waar al zo’n zestig mannen stonden. De geur van natte kleren en koud en bedorven eten hing zwaar in de lucht. Ik werd als eerste begroet door een mij bekende oogarts met zijn zoon, een kleine bleke jongen die acht dagen eerder zestien jaar geworden was. Beiden waren gekleed in pyjama. Ze waren van hun bed gelicht en mochten geen kleren aantrekken en geen afscheid nemen van vrouw en moeder. Vier dagen later werd het kind van de zijde van zijn vader weggehaald en in pyjama en op pantoffels naar het concentratiekamp in Dachau gebracht.”

Als u denkt : moet dit na 80 jaar nog steeds herhaald worden dan ontraad ik u ten stelligste de gruwelijke dagboek verhalen te lezen. Als u daarentegen van mening bent dat het herdenken van die nacht en het aangerichte kwaad  een waardevolle zaak is dan zijn de verhalen meer dan de moeite waard om te lezen.

Van harte aanbevolen.
D.J.Douwstra
lid Werkgroep Kerk en Israël Noord