Ontmoeting of geen ontmoeting?

Pleidooi voor oprechte gesprekken en ontmoetingen in de gemeente. uit: het Ouderlingenblad april 2014 door: Marieke den Hartog

Pleidooi voor oprechte gesprekken en ontmoetingen in de gemeente.
uit: het Ouderlingenblad april 2014
door: Marieke den Hartog

Voor mij begon de ontmoeting met Israel in de persoon van rabbijn Yehuda Aschkenasy, zijn nagedachtenis zij tot zegen. Dat was in 1975 aan de Utrechtse theologieopleiding. Hij was een gedreven leraar van de Joodse traditie.

Kerk en Israël in de gemeente
Bij Aschkenasy was je in een college bezig met bijbelstudie en pastoraat, filosofie en liturgie, geschiedenis en spiritualiteit. Alle verschillende vakken van de theologie werden dankzij hem een organisch geheel. Niet gescheiden, maar verbonden.
We bestudeerden het Hebreeuws van de Bijbel, maar ook dat van het Joodse gebedenboek, en dat van Talmoed en Midrasj. En natuurlijk, als we de Joodse bedding van het Nieuwe Testament bestudeerden, dan kwam het Grieks op tafel. Samen met de artikelen van zijn Israëlische vriend en leraar David Flusser, de Joodse Nieuwtestamenticus in Jeruzalem van wie hij zoveel geleerd had en nog steeds leerde. Als overlevende van de Sjoa zette Aschkenasy zich gepassioneerd in voor een nieuw leerproces van christenen met betrekking tot het Jodendom. Het christelijke antisemitisme zou met wortel en tak uitgeroeid moeten worden. Een nieuwe christelijke identiteit was volgens hem mogelijk: een identiteit waarin Jezus niet als ‘held’ tegenover zijn Joodse gesprekspartners (de ‘antihelden’) zou worden afgezet. Jodendom en christendom niet tegenover elkaar, maar naast elkaar, beide ontstaan uit en blijvend gevoed door de Hebreeuwse Bijbel en door de God van Abraham, Isaak en Jakob. Gaandeweg realiseerde rabbijn Aschkenasy zich dat zijn specifieke roeping lag op het gebied van Joodse traditie onderwijzen aan christelijke theologiestudenten.
Als studenten merkten we dat hij ieder van ons volstrekt serieus nam, ook al stonden we nog maar aan het begin van onze studie. Voor hem was dit de enig mogelijke levenswijze, verplichtend voor hemzelf, verplichtend ook voor ons, zijn leerlingen, die het voorrecht hadden met hem om te gaan. Ook al was dat soms bepaald niet gemakkelijk, want zijn verwachtingen van ons waren hoog gespannen…

Israël 
Twee en een half jaar studeerde ik vervolgens in Jeruzalem. Ik wilde goed modern Hebreeuws leren, maar ook meer leren over de Joodse bedding van het vroege christendom. David Flusser, Shmuel en zijn dochter Channa Safrai brachten mij een eind verder op dit pad. Ook wilde ik het Jodendom leren kennen in het enige land met een Joodse meerderheid, zonder mijn ogen te sluiten voor de politieke realiteit. Met een Joods-Arabische studentengroep leidde ik zomer 1982 een zomerkamp voor Joodse en Arabische schoolkinderen in de buurt van Haifa. Het was de zomer van Sabra en Sjatila: een massamoord van christelijke(!) falangisten op Palestijnse vluchtelingen in twee kampen in Libanon. Deze gruweldaad was niet mogelijk geweest zonder de indirecte betrokkenheid van Ariel Sharon, destijds minister van defensie. De tranen en de woede hierover van een Palestijnse vriend in mijn Jeruzalemse kamer zal ik nooit vergeten.
Des te wonderbaarlijker was het, dat dit Joods-Arabische zomerkamp toch doorgang vond. Doorgaan met het vredesproces alsof er geen terreur was, en de terreur bestrijden alsof er geen vredesproces was. Dat gebeurde op het grondvlak toen al, lang voor Rabin deze woorden tot fundament van zijn vredespolitiek zou maken.
Ik had in die tijd vriendschappen zowel aan Joodse als aan Palestijnse zijde. Daarom wist ik dat eenzijdige solidarisering nooit recht zou doen aan het geheel van de complexe situatie.

September 1993 – Vredesakkoord
In september 1993 werd dan eindelijk een eerste vredesakkoord ondertekend tussen Israel en de Palestijnen. Rabin en Arafat ondertekenden in Washington de Oslo-akkoorden. Hun handdruk onder het toeziend oog van president Clinton staat in ons collectieve geheugen gegrift: hier werd een aloude vijandschap omgezet in een partnerschap. Vooral aan Palestijnse kant was er een enorme euforie. Zij hoopten dat ze binnen enkele jaren een eigen staat Palestina, naast Israel, zouden hebben. Helaas liep het anders.

September 1993 – Studieseminars
Precies in deze maand kwam ik in dienst bij de Hervormde Raad voor de Verhouding van Kerk en Israel als theologisch beleidsmedewerker. In de periode 1967-1992 had de Hervormde Kerk een eigen theologisch adviseur in Jeruzalem gehad. Aanvankelijk was die bedoeld als ‘luisterpost’: om direct te horen wat er in Israel speelde en van daar uit leiding te geven dan wel mee te doen aan de theologische reflectie op het belangrijke thema ‘Kerk en Israel’ in Nederland. Misschien was dit, achteraf bezien, wel een onmogelijke opdracht: werkelijke ontmoetingen in Israel en de Palestijnse gebieden en daar in een heel andere kerkelijke en maatschappelijke situatie over moeten reflecteren. Ik zou dat niet gekund hebben. Maar de toespitsing van de nieuwe functie was dan ook heel anders: studieseminars organiseren naar Israel en de Palestijnse gebieden. Voor predikanten, voor theologiestudenten, voor Kerk-en-Israëlkader, voor deelnemers aan de voortgezette cursus Theologische Vorming Gemeenteleden. Het waren allemaal onvergetelijke reizen met voor de deelnemers onvergetelijke ontmoetingen. Ze hadden dezelfde bedoeling als destijds mijn studietijd in Israel: kennismaking met het pluriforme Joodse leven in Israel, maar ook met de Palestijnse bevolking in Israel en de bezette gebieden. Door al deze persoonlijke ontmoetingen liet je het wel uit je hoofd om in zwart-wit schema’s te gaan denken. Polarisatie is onmogelijk voor wie zich echt in een kwestie verdiept heeft. Theologische reflectie zou wat mij betreft dus nooit welke polarisatie dan ook kunnen dienen.

Wie wil je ontmoeten?
Al deze ontmoetingen (of het gebrek daaraan) gaan aan iedere theologische reflectie vooraf. Deze ontmoetingen bepalen daarom ook, soms onbewust, onze theologische reflectie. Heb je de oorlog meegemaakt en had je voor de oorlog misschien een Joods vriendje of vriendinnetje dat niet terugkeerde? Heb je zelf Joodse voorouders en wil je op zoek naar dat deel van je geschiedenis en identiteit? Heb je ooit als vrijwilliger in een kibboets gewerkt en ben je gefrustreerd geraakt door het verdwijnen van de Zionistische idealen en de afkalving van het vredesproces? Of heb je, op grond van je verstaan van de Bijbel, sympathie opgevat voor de groot-Israelgedachte en heb je daarom contacten ontwikkeld met de Joodse kolonisten in Palestijns gebied? Of ben je juist contacten gaan zoeken met Palestijnse christenen die, tegen alle verdrukking in, hun eigen bevrijdingstheologie ontwikkelen?
Al deze persoonlijke ontmoetingen zullen verschillend vertaald worden, zowel in theologische als in politieke zin.

Verbondenheid: een relatiewoord
In de nieuwe kerkorde van de Samen-op-wegkerken ging het over onze ‘roeping tot het gestalte geven aan de onopgeefbare verbondenheid met Israel’ (artikel I,7)
Waar hebben we het dan over? Verbondenheid is een relatiewoord. Maar welke relatie met Israel is er feitelijk? Hoeveel wordt er geïnvesteerd in deze relatie? Hoeveel wordt er geïnvesteerd in de relatie met de Joodse gemeenschap in Nederland? Vanuit mijn recente bestuurswerk voor het OJEC kan ik zeggen: niet veel. Want in een daadwerkelijke relatie word je tegengesproken en blijkt het soms lastig aan je eerder ingenomen standpunten vast te houden. Je moet soms, in een diepgaande discussie, je mening herzien. Hoeveel wordt er geïnvesteerd in de relatie met relevante vertegenwoordigers van de staat Israel in Nederland? Is er sprake van een uitgewerkte meervoudige verbondenheid, in de richting van Israel en de Palestijnse? En zo ja, welke effecten heeft dit op de gesprekspartners? U ziet: wat voor een persoon geldt, geldt ook voor de kerk als geheel. De afkalving van het vredesproces heeft geleid tot een afkalving van onze aanvankelijke bewondering voor de realisering van de Zionistische droom: de grondvesting van de staat Israel in 1948.

Heilloze polarisatie 
In de feestbundel voor Simon Schoon heb ik beschreven dat vele christenen de spanning tussen het Bijbelse ideaal van Israel en de harde werkelijkheid van Israel en de Palestijnse uiteindelijk niet uithouden: zij sluiten simpelweg de ogen voor een deel van de werkelijkheid. Zo zie je alleen wat je wilt zien, lees je alleen wat je wilt lezen, en ontmoet je alleen diegenen die jou in je standpunten bevestigen. Dit leidt tot een heilloze polarisatie, die uiteindelijk ter plekke schade kan berokkenen.

Ontmoetingen in verbondenheid?
Precies vanuit onze feitelijke en toch zo verschillende verbondenheid met Joodse en Palestijnse gesprekspartners is de theologische reflectie voor de landelijke kerk vaak heel lastig. Ik heb in de zestien jaar dat ik voor het werkveld Kerk en Israel gewerkt heb (1993-2008) helaas te weinig gezien dat er door de kerkleiding echt geïnvesteerd werd in kwalitatief hoogwaardige en duurzame relaties. Ook werden de twee werkvelden van Kerk in Actie en Kerk en Israel ten onrechte te veel uit elkaar gehouden, waardoor een echte diepgaande gezamenlijke reflectie niet mogelijk was.
Mijn blijvende leermeester in dit alles is de grote Joodse filosoof, Bijbelgeleerde en zionist Martin Buber (1878-1965). Zijn filosofische hoofdwerk Ich und Du (1923) zou eigenlijk verplichte kost voor ieder gelovige moeten zijn. Hierin legt Buber het verschil uit tussen een ik-het en een ik-jij relatie. Alleen in een ik-jij relatie wordt de ander niet tot middel, tot instrument van mijn eigen belangen gemaakt. Alleen in een echte ik-jij relatie kan het ‘eeuwige Jij’ van de Goddelijke aanwezigheid doorschemeren.
Uiteindelijk zou het onze kerk niet om een theologische standpuntbepaling moeten gaan, maar om echte ‘ik-jij’ ontmoetingen en echte verbondenheid. Zulke ontmoetingen gun ik onze kerk, onszelf, met Israel en al haar bewoners: Joden, christenen en moslims. Met Israëli’s en Palestijnen. Verscheurende dilemma’s, soms ook hoopvolle perspectieven. Echte theologische reflectie kan alleen vanuit die meervoudige verbondenheid. Als de kerkleiding dat zou beseffen, zou ze kunnen uitdragen dat onze standpunten alleen in voorlopigheid kunnen worden geformuleerd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *