Over de ‘schuldbelijdenis’ van 8 november

Op persoonlijke titel schreef Marien Grashoff een kritische reactie op de PKN-verklaring van 8 november 2020. Op verzoek van de Werkgroep Kerk & Israël Noord wordt die hier ook gepubliceerd. Een verkorte versie verscheen als opiniestuk in het Nederlands Dagblad van 8 december 2020 (inloggen noodzakelijk).

Op 8 november sprak de landelijk scriba van de Protestantse Kerk in Nederland, ds. René de Reuver, een schuldbelijdenis uit ten overstaan van leden van de Joodse gemeenschap.

Heel kort gezegd zei hij dit: ‘ondanks de daden van ongelofelijke persoonlijke moed die, God-zij-dank, ook door leden van de kerken zijn verricht’, ‘heeft het de kerkelijke instanties veelal aan moed ontbroken’ om Joden te beschermen tegen de nazi’s. De PKN erkent nu ‘dat de kerk mede de voedingsbodem heeft bereid waarin het zaad van antisemitisme en haat kon groeien’.

Deze schuldbelijdenis blijkt in stilte opgesteld te zijn door slechts een paar mensen. Synodeleden kregen de tekst vooraf te lezen met een kennelijke vraag om commentaar, maar verder moesten ze er tot 8 november over zwijgen. Sommige synodeleden hebben deze mail zelfs niet gezien. De Raad voor Kerk & Israël kreeg de tekst van tevoren niet te zien en moest het nieuws ook voor zich houden.

Toen het via een omweg toch uitlekte, werd nog steeds de tekst van de verklaring niet vrijgegeven op een paar zinnen na. Onmiddellijk brak er een storm aan reacties los. Voormalige verzetsmensen en hun families voelden zich, voorzichtig gezegd, ernstig tekort gedaan. In Joodse kring was er enige sympathie, maar even vaak de reactie dat een schuldbelijdenis niet zo nodig was.

Voor mij als predikant betekende het een extra bezoekronde langs meerdere gemeenteleden die furieus waren, omdat zij familie of vrienden hadden verloren aan het verzet en het helpen van Joden. Bij sommigen kwamen moeizaam verwerkte oorlogstrauma’s weer naar boven. Uiteraard legde ik meteen uit dat die ‘schuld’ niet sloeg op hun famieleden, maar op het instituut kerk. Dat kwam nauwelijks binnen, want de schade was immers al aangericht.

Naderhand excuseerde de landelijk scriba zich in een interview met Trouw. Die woedende reacties had het landelijk kerkbestuur totaal niet verwacht, zei hij. Maar ook als familie van verzetsmensen tevoren wel bij de opstelling van de schuldbelijdenis betrokken was geweest, had die er nauwelijks anders uitgezien, vervolgde hij.

Wat zal ik er nu nog van zeggen? Twee dingen. Dat dit kerkelijk gedoe de kerk schaadt. En dat daardoor de terechte kritiek op eigen theologie en praktijk volledig ondersneeuwt.

Kerkelijk gedoe

De hele gang van zaken onthult wat de PKN is geworden: een organisatie met een professionele staf in Utrecht en afdelingen door het hele land. Ik weet: deze formulering ontlokt boze reacties. Want het gaat in de kerk om de gemeenten, om de mensen, zal men zeggen. Als dat echt zo is, waarom betrek je dan vrijwel niemand bij zoiets fundamenteels als een oordeel over het eigen kerkelijk verleden? Bovendien een oordeel dat voluit raakt aan de grondslagen van het eigen kerk-zijn?

Gereformeerden hebben, zoals velen zich nog zullen herinneren, heftige discussies gehad over hoe de kerk publieke uitspraken kan doen die al haar leden raken. Denk maar aan uitspraken over apartheid of kruisraketten. Dat had alles te maken met het besef dat zoiets gedragen moet worden door tenminste een substantieel deel van de gemeenten zelf. Kennelijk liggen die discussies nu ergens in een archief te verstoffen. De verklaring van de PKN wordt ons voorgesteld als ‘een unaniem synodebesluit’, maar een tekst rondmailen voor commentaar kun je toch niet zien als een inhoudelijke bespreking? En het verweer achteraf vond ik zwak en formeel.

Los daarvan vind ik het een blamage voor de kerk dat haar ‘professionals’ zo slecht ingeschat hebben wat deze actie zou losmaken. Komt men nog wel eens echt buiten de bubbel van Utrecht? Ook deze opmerking zal boze reacties ontlokken, maar die boosheid laat dan hoogstwaarschijnlijk zien hoezeer de vraag doel treft.

Terechte kritiek

De terechte vraag die in alle gedoe ondersneuwt is deze: waarover gaat deze schuldbelijdenis nu eigenlijk? Over wat er in en vlak na de oorlog wel of vooral niet gedaan is? Of gaat het eigenlijk over iets waaraan de kerk zich vandaag nog bezondigt? Gaat het over wie ons voorgingen of over onszelf?

Ik denk dat het over onszelf gaat – of in ieder geval moet gaan. Doen wij opnieuw dingen waardoor de Joodse wortels van ons christelijk geloof worden verdonkeremaand? Behandelen wij Joden vandaag nog steeds anders dan anderen? Of, om toch maar het a-woord te gebruiiken: sluipt er nog steeds anti-judaïsme, en daarmee antisemitisme, in onze manier van bijbellezen, geloven en handelen?

Dat sluipt er inderdaad in wanneer wij Wet en Evangelie tegen elkaar uitspelen. Dat dreigt wanneer wij niet bereid zijn eerlijk een open oog te hebben voor Joodse uitleg van de Torah en voor het Joodse volk als levende realiteit. Christenen volgen niet de weg van het jodendom, maar hun weg kan daar nooit los van worden gezien. Het onderscheid zit niet in de eerste plaats in ons belijden van Jezus als de messias, maar veel meer in hoe wij wel of niet met de Wet omgaan. Jezus legde immers zelf voortdurend de Torah uit, evenals de apostelen – lees Handelingen 15. Wij moeten fundamenteel anders leren denken en doen dan in het verleden.

Dat heeft ook praktische consequenties. Moet de PKN organisaties als Sabeel blijven steunen, die Israël niet aanvaarden willen als Joodse staat? Dat laat zich toch niet rijmen met de ‘onopgeefbare verbondenheid met het Joodse volk’ die de kerk in haar kerkorde prominent heeft verankerd (Artikel I.7)? In dezelfde weken als de schuldbelijdenis verwijdert de PKN de naam ‘Israël’ uit de titel van een van haar tijdschriften. Dat moet neutraler heten, want dat verkoopt beter. En dus wordt Kerk & Israël onderweg veranderd in Op weg met het jodendom. Ach ja, waarom niet met ook het boeddhisme? Het lijken op zich misschien kleine wissels die genomen worden, maar het dreigend resultaat blijft dat a-woord.

Dat betekent dat de kerk nog vele jaren hard aan het werk moet met deze vragen. Niet onder de noemer ‘schuld’, maar met het oog op werkelijke verandering. Dat betekent dus stevige gesprekken voeren in de gemeenten zelf, niet op een landelijk bureau. En ja, dat gaat knetteren en daar gaan mensen afhaken. Maar is de kerk een gemeenschap van leerlingen van de Heer? Of is het een organisatie die om de lieve vrede discussies ontloopt? Juist dat laatste zou een ernstig gebrek aan moed onthullen.