Overweging Israëlzondag 3 oktober 2021

Zondag 3 oktober 2021 (Israëlzondag) hield ds. Reinier Gosker uit De Wijk in Zuidwolde dr. onderstaan overweging. Een kerkdienst over de betekenis van de vier grote joodse najaarsfeesten voor het christelijk geloof en de samenhang met de jaarlijkse Israëlzondag

Aanvangslied: Psalm 19: 1 en 2
Groet en bemoediging
Inleidend woord en Psalm 19: 3

Psalm 19 die we zojuist zongen staat bekend als aanvangslied voor de 4e Zondag van Advent, vlak voorKerst. Het gaat in Psalm 19 over de adembenemende geheimen van het heelal, waarin de zon voorgesteld wordt als een fiere bruidegom, die – even later in de psalm – symbool blijkt te staan voor de Thora, de vijf boeken van Mozes, ’s Heren Wet, die ons verkwikt en redt, waarbij de ziel herleeft. Door Psalm 19 als aanvangslied te zingen op de 4e Zondag van Advent suggereert de kerk dat die zon, die bruidegom, verwijst naar het Christuskind. Daar is niks mis mee zolang we maar beseffen dat het in dit kind gaat om het Woord dat vlees geworden is, oftewel om de Thora die gedaan en in praktijk gebracht wordt. De reden waarom we Psalm 19 vandaag zingen, heeft te maken met de Grote Joodse Najaarsfeesten die vier weken geleden begonnen met Joods Nieuwjaar en via Grote Verzoendag en het Loofhuttenfeest afgelopen woensdag eindigden met Simchat Thora, oftewel het feest van de Vreugde om de Thora.
Als een echo van dat feest zingen we nu nog: Psalm 19: 3.

Kyrië en gloria: Psalm 119: 34, 35 en 36
D I E N S T V A N H E T W O O R D
Gebed van de zondag
 Leviticus 23, 23-36
 Marcus 10, 1-12
 Muzikaal intermezzo over de melodie van lied 795
 Overweging, orgelspel en geloofslied: Lied 117a

D I E N S T V A N G A V E N E N G E B E D E N
Dank- en voorbeden
Over de inzameling der gaven
Slotlied n.a.v. het Loofhuttenfeest dat afgelopen dinsdag afgesloten werd: Lied 823
Zegen

Gemeente van onze heer Jezus Christus,

Als gereformeerd jongetje ben ik ooit opgegroeid met de Psalmen, een paar gezangen én met het lied ‘Daar ruist langs de wolken een lief’lijke Naam, die hemel en aarde verenigt tesaam’. Maar toen ik 40 jaar geleden uit het buitenland terugkeerde om hier in Nederland predikant te worden, maakte ik tot mijn verrassing kennis met een Liedboek voor de Kerken dat acht jaar eerder in gebruik genomen was. Het was de liedboekdichter Willem Barnard die mij inwijdde in de geheimen ervan, en ik vond het prachtig. Er ging een wereld voor mij open. De Wondere Wereld van de kerkelijke Liturgie die door de eeuwen heen was uitgegroeid tot één van de mooiste kunstwerken die de mens ooit voortgebracht heeft. Ik las alles wat Barnard erover geschreven had. Niet alleen zijn liederen en zijn beschouwingen over het Kerkelijk Jaar, maar vooral zijn consequente zoektocht naar de synagogale achtergronden ervan, – spreek: de Joodse wortels van de christelijke eredienst.

2.

Zo herinner ik me een serie opstellen van zijn hand met als titel ‘Een maand die verdonkeremaand wordt’, weggemoffeld, verduisterd, achtergehouden. Ik snapte in de verste verte niet waarover dat zou moeten gaan. Of het moest ‘een spel met woorden’ zijn, iets waarin Barnard een grootmeester was: een maand die verdonkeremaand wordt? Het bleek te gaan over de bijbelse maand Tisjri, die om en nabij samenvalt met september/oktober. Een maand waarin ten onzent de vier zondagen vallen die we aanduiden als de 16e t/m de 19e zondag na Pinksteren, – een reeks die drie weken geleden begon en vandaag eindigt op de 1e zondag van oktober, oftewel op de jaarlijkse Israëlzondag.

Wat nu volgens Barnard verdonkeremaand wordt is de herinnering aan de vier Grote Joodse Najaarsfeesten die in de maand Tisjri vallen: Rosh haSjana, Jom Kippoer, Soekot en Simchat Tora, oftewel Joods Nieuwjaar, Grote Verzoendag, ’t Loofhuttenfeest en Vreugde der Wet. Barnard is daarover niet te spreken, hij schrijft: ‘In de kerk kunnen we niet doen alsof we daar niets mee te maken hebben.’ En al helemaal niet omdat de liturgie in deze tijd van het jaar sporen laat zien van ‘heugenis aan deze oeroude joodse feesten’. (…) ‘… het lijkt wel alsof de christenen er lak aan hebben’, – moppert Barnard: ‘Diegene evenwel die onder de indruk gekomen is van de Hebreeuwse beseffen-wereld kan niet meer in de kerkelijke pas lopen én de andere kant uitkijken alsof het jodendom niet bestaat en de synagoge ons niets te zeggen heeft’.1 Na deze tirade kun je je afvragen waarom Barnard zich zo boos maakt. Dat brommerige hoort wel een beetje bij Barnard, maar laten we niet op de man spelen maar op de bal, wat staat er dan op het spel dát Barnard zo boos wordt?
1 Willem Barnard, ‘Op een stoel staan. Herfst en winter’. Haarlem 1979. pag. 23 v.

3.

Mijns inziens gaat het om de directe en dus onbemiddelde relatie tussen God en mens, die weggesmokkeld wordt door het negeren van de Grote Joodse Najaarsfeesten. Dat moet ik toelichten …

Wij christenen hebben de God van Abraham, Isaak en Jakob leren kennen dankzij Jezus én het christelijk geloof. Maar in dat geloof is niet zozeer diens boodschap máár Jezus zelf centraal komen staan. Jezus als middelaar tussen God en mens, als heiland en heelmaker zonder wiens offer wij géén deel zouden hebben aan Gods beloften van toekomst, eeuwig leven, koninkrijk Gods, nieuwe hemel nieuwe aarde. Daardoor lijkt er iets tussen God en mens geschoven te zijn dat eerder een hobbel is dan een uitnodiging, eerder een vóórwaarde dan een aanmoediging. Maar het geloof in Jezus is niet bedoeld als voorwaarde, laat staan als een hobbel of een drempel. Als ik Jezus goed begrijp wil hij de weg naar God juist effenen. Maakt hij de weg tot God begaanbaar voor al diegenen, die de God van Abraham, Isaak en Jakob niet kennen, – zoals u en ik, die weliswaar bekeerd máár van huis uit heidenen zijn. Van wie Paulus ooit zei ‘dat ze geen deel hadden aan de gemeenschap van Israël en ook niet betrokken waren bij de verbondsluitingen én de beloften die                  daarbij horen. Zij leven’ – zei Paulus: ‘in een wereld zonder hoop en zonder God’ (Efeze 2,12). Maar dankzij Jezus en het christelijk geloof leerden ook wij de God van Abraham, Isaac en Jakob kennen. In zoverre is Jezus inderdaad middelaar, dat hij voor ons, niet-Joden, een heiland en heelmaker is in wie de zonde van onze vroegere afgoderij (ons heidendom) vergeven is. Waardoor, óók voor ons, de weg open ligt tot God, – die op z’n joods gezegd ‘abba’ genoemd wordt, zoals ook Jezus deed in zijn grenzeloze liefde tot Avinoe Malkeenoe, onze vader onze koning. Jezus vormt niet een drempel, een hobbel of een voorwaarde om tot God te komen, maar hij wijst ons in eigen persoon de weg, de waarheid en het leven.

4.

Welnu, de directe onbemiddelde relatie tussen God en mens is in zoverre hét thema van de Grote Joodse Najaarsfeesten dat die relatie in al zijn dimensies gevierd en overdacht wordt, gewikt en gewogen. En dat meteen al op het Joods Nieuwjaar:

Een nieuw jaar een nieuw geluid
dat in synagoge klinkt als een …
een ramshoorn die roept:

Hoe staat het tussen God en mens?
Is die verhouding nog gezond en leefbaar?
Hoeveel ruis zit er inmiddels op de lijn,
en wat ging er fout in het afgelopen jaar
tussen mij en de rest van de wereld?
Want zonder dat alles recht te zetten,
hoef ik straks, op Grote Verzoendag, bij God niet aan te komen.

Kort geleden werd in de synagoge de 5782-ste verjaardag van de schepping gevierd … toen ‘hemel en aarde in al hun rijkdom voltooid werden op de zesde dag, – de dag waarop nota bene ook de mens geschapen werd ‘naar Gods beeld, naar het beeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen’ (Gen 1, 27). En dat is wonderlijk! Want als de bijbel één ding verbiedt, dan is het wél het maken van beelden: het vastleggen van iets wat niet vast te leggen is. Een vogel in zijn vlucht. De wind in de bomen. God die oneindig veel groter is dan wij ook maar kunnen denken. Van God kunnen wij geen beeld maken zonder dat het bedrieglijk is, want ‘zijn gedachten zijn niet onze gedachten, en zijn wegen niet onze wegen’ (Jes 55,8). ‘Ge zult u geen beeld maken van enig schepsel, daarvoor buigen en het dienen’, – laat staan van God. Maar als wijzelf dan tóch geschapen zijn naar Gods beeld, als zijn gelijkenis, dan betekent dat dat ook wij, u en ik, net zo min vastgelegd zijn als Hij, en dat we dus delen in een soortgelijke vrijheid als die van God. Om partner te kunnen zijn in het verbond met God heeft hij ons een eigen vrije wil geschonken. En precies dat staat tijdens Joods Nieuwjaar op het spel! De kernvraag ervan luidt: Hoe het stáát om ons, om mij als partner in het verbond met God? En hoe gaan we om met de ons geschonken vrijheid?

5.

De feesten die erop volgen, Grote Verzoendag, Loofhuttenfeest en Vreugde der Wet brengen zowel de ambivalenties van het leven in herinnering, onze goede en kwade neigingen, ons vallen en opstaan, onze vrijheid en onze kwetsbaarheid, alsóók de goddelijke bijstand die ons geboden wordt door gehoor te schenken aan de Thora, aan ’s Heren wet die ons verkwikt en redt, waarbij de ziel herleeft (Psalm 19: 3 berijmd).

Met een feestelijke herinnering aan de Thora werden de Joodse Najaarsfeesten afgesloten op Simchat Thora, Vreugde der Wet, dat afgelopen woensdag gevierd werd als een bruiloftsfeest waarop nota bene twee bruidegommen aanwezig zijn. Eén om de laatste woorden van de Thora te lezen: Deuteronomium 34, en één om de eerste woorden van de Thora te lezen: Genesis 1, waardoor het jaarlijkse leesrooster in de synagoge een cirkel vormt en nooit eindigt: ‘aan alles komt een eind, hoe schoon, hoe groot, maar, Heer, uw wet gaat elke grens te buiten’ (Psalm19: 36 berijmd). De eerste bruidegom ziet in Deuteronomium 34 het beloofde land liggen door de ogen van Mozes, aan gene zijde van Jordaan: het Land van Belofte! … dat in de ogen van de tweede bruidegom die de eerste woorden van Genesis leest, niets anders blijkt te zijn dan … the whole wide world in his hands, oftewel: hemel en aarde, die God in beginsel schiep en door de mens bewerkt en bewaard mag worden.

Zo brengen de Joodse Najaarsfeesten de directe relatie tussen God en mens in kaart. Het geloof in Jezus is daarvoor geen hobbel, drempel of voorwaarde, maar de bevestiging van het vertrouwen dat dit, óók voor ons, de weg, de waarheid en het leven is. Wij hoeven daarvoor niet Joods te worden, omdat ook wij onze ziel en zaligheid mogen toevertrouwen aan de God van Abraham, Isaak en Jakob. Dit is waar Jezus voor staat zowél in zijn verkondiging van het evangelie als in zijn lijden, sterven en opstaan: dat God en mens bondgenoten zijn: hemel en aarde verenigd tesaam!

6.

Tegen deze achtergrond klinkt nu de lezing uit Marcus 10, 1-12, een leergesprek waarin een uitdagende vraag gesteld wordt: Mag een man zijn vrouw verstoten? Zou deze vraag een echo kunnen zijn van Simchat Thora? Als we er niet op bedacht zijn, zullen we die echo natuurlijk ook niet horen. Maar indachtig de zoektocht van Willem Barnard is het een uitdaging om die echo te horen en thuis te brengen. Welnu, op Simchat Thora kwamen we twee bruidegommen tegen. Twee getuigen van Israëls liefde voor de Thora.

Ooit maakte ik een Simchat Thora viering mee in de synagoge van Haaksbergen, waar ik tot
mijn verrassing opeens óók uitgenodigd werd om één van Thorarollen in mijn armen te nemen en een
ronde te dansen door de synagoge. Het voelde onwennig, eerlijk is eerlijk, alsof ik een vreemde vrouw in
m’n armen had. Maar toen ik haar teruggaf had ik aan den lijve ervaren hoe zorgzaam, teder en liefdevol
de synagoge met de Thora omgaat. Onafscheidelijk die twee! Als bruidegom en bruid, als man en vrouw!

En nu, op de jaarlijkse Israëlzondag, klinkt de uitdagende vraag: Mag die man zijn vrouw verstoten? Mag de bruidegom ajuus zeggen tegen z’n bruid? …

Nu moet u weten dat de Joodse traditie twee manieren kent om te antwoorden op de gestelde vraag. Ik zal die twee manieren toelichten, maar begin met een voorbeeld. Stel dat je van voetbal houdt, dan kun je dat aan iemand die het spel niet kent, op twee manieren duidelijk maken. Dat kan a) door de spelregels ervan gloedvol toe te lichten tot in de finesses. Maar het kan ook b) door te vertellen wat je aan een voetbalwedstrijd beleeft, hoe je ernaar uitkijkt, erin opgaat en juicht bij elk doelpunt dat gescoord wordt. Precies zo kent de synagoge twee manieren van bijbellezen. Er is de halachisch-juridische manier van bijbellezen die de praktijk van het dagelijks leven vormgeeft in rituelen, regels, geboden en voorschriften. En er is de aggadisch-verhalende manier die op een meer filosofische wijze het leven wikt en weegt. Welnu, mag een man zijn vrouw verstoten? Mag een bruidegom ajuus zeggen tegen z’n bruid?

Het is maar welke benaderingswijze je kiest. Gaat het over 40% van de jaarlijks gesloten huwelijken in Nederland die uitlopen op een echtscheiding, dat zijn er zo’n 30.000, dan stem ik graag in met het halachisch-juridische voorschrift van Mozes, die de man in zo’n geval dwingt om zijn vrouw een scheidingsbrief te geven, zodat zij het leven als ongetrouwde vrouw kan voortzetten (en eventueel een nieuwe echtgenoot kan vinden). Maar tegen de achtergrond van Simchat Thora zou ik mét Jezus kiezen voor de aggadisch-verhalende benadering van de vraag door te herinneren, hoe God ‘al aan het begin van de schepping de mens mannelijk en vrouwelijk heeft gemaakt’, bestemd dus om elkaars bruid en bruidegom te zijn, niet langer twee, maar één zoals de Eeuwige zelf: gaaf, rechtvaardig en barmhartig, als uit één stuk.

Het voorschrift van Mozes, – voegt Jezus eraan toe, is ons gegeven om als die eenheid niet haalbaar is, erger te voorkomen. Maar daarom hoef je het ideaal nog niet bij de vuilnisbak te zetten, het ideaal van Simchat Thora: Hemel en aarde verenigd tesaam, daar gaat het om! Liefde tussen twee mensen zoals de Bijbel erover spreekt is sowieso iets anders dan onze romantische liefde, die vraagt of de ander wel ‘de ware’ is voor mij. Maar de Bijbel vraagt precies omgekeerd: of ik wel de ware ben voor diegene met wie ik ooit in het huwelijksbootje stapte. Ben ik betrouwbaar? Kan de ander op mij aan? Juist ook in zijn of haar kwetsbaarheid?2

      En als het dan toch fout gaat?
     Wat dan?

Dan zou je je kunnen afvragen hoeveel levenswijsheid er zit in de woorden en daden van Jezus. Geef niet op bij de allereerste tegenslag. Trouw blijkt pas in de beproeving. Natuurlijk zijn er grenzen. Je hoeft niet alles over je kant te laten gaan. Maar het leven, ook het huwelijksleven in welke vorm dan ook, is een kwestie van geven en nemen. Probeer de ware te zijn voor de ander, zoals de Eeuwige dat is voor Israël. Maar eerlijk is eerlijk, wij zijn niet God of goddelijk, wij zijn mensen van vlees en bloed aan wie ook het voorschrift van Mozes gegeven is, en die er verder op mogen vertrouwen dat … de lief’lijke Naam die ruist langs de wolken ons geen knollen voor citroenen verkoopt, maar waarheid en barmhartigheid als overvloed van zegen (Lied 117a: 2).

Amen.

2 Zie Bart Trouwborst: Voorbereiding Israëlzondag 2021, Maleachi 2,10-16