Paulus – In je roeping blijven

Over Paulus’ universele regel voor alle gemeenten.

Inleiding

Bij de herdenking van 500 jaar Reformatie in 2017 zullen in het theologisch gesprek ongetwijfeld de brieven van de apostel Paulus een belangrijke rol spelen. De reformatoren beriepen zich immers vooral op Paulus’ geschriften. En niet alleen zij. Ook de traditie die uit hun initiatieven is ontstaan ontleent veel van zijn geloofsgoed aan Paulus. We geven daarom in deze bijdrage aandacht aan een centraal gegeven in Paulus’ denken, aan de enige regel die hij uitvaardigde voor al zijn gemeenten, de ecclesiai. We bestuderen 1 Corinthe 7: 17-24. We gebruiken de vertaling in de Naardense Bijbel.

Structuur

Opvallend is de geleding van de tekst waarbij de universele regel tot drie maal toe onder de aandacht wordt gebracht:

vs 17:   Zoals God een ieder heeft geroepen,
zó moet hij wandelen.
En zó gebied ik in alle gemeenten.
vs 20:   Ieder in roeping waarin hij werd geroepen,
laat hij daarin blijven.
vs 24:   Ieder waarin hij was toen hij werd geroepen…
laat hij daarin blijven voor God.

Vers 24 dient als afsluiting van het geheel. De beide eerste keren dat de regel wordt gegeven, horen we eerst een praktische toepassing ervan a die vervolgens theologisch wordt gemotiveerd (B):

vs 18:   (A) Is iemand als besnedene geroepen
dan moet hij dat niet weer laten overtrekken;
is iemand met een voorhuid geroepen,
dan moet hij zich niet laten besnijden.
vs 19:  (B) De besnijdenis is niets
en het hebben van een voorhuid is niets,
alleen het houden van Gods geboden.

vs 21:   (A) Werd je als dienstknecht geroepen (?)-
laat je dat niet deren,
maar als je ook een vrij man kunt worden,
gebruik dan liever die kans;
vs 22:  (B) want wie als dienstknecht
door de Heer geroepen is,
is een vrijgelatene van de Heer;
evenzo wie als vrije werd geroepen
een dienstknecht van Christus.
vs 23:   Gij zijt gekocht en betaald,
wordt geen dienstknecht van mensen.

De eerste praktische toepassing is sociaal-etnisch van aard. Het gaat over Joden en niet-Joden in de gemeenten. De tweede toepassing van de universele regel is sociaal-economisch. Hier gaat het om de verhouding van slaaf en vrij man. Wanneer we die beide toepassingen van Paulus’ universele regel nader bezien, zijn er meerdere zaken ter overweging:

  1. Het lijkt erop dat Paulus niet van zins was om maatschappelijke veranderingen te              bewerkstelligen. Ieder moest blijven in de staat waarin hij/zij geroepen werd. Dat is de hoofdregel. Hebben we enig idee waarom?
  2. Heeft het te maken met zijn opvatting van tijd? Paulus was er immers van overtuigd dat de eindtijd begonnen was. (Zie bijv. 1 Thess. 4: 15-17) Zijn er daarom belangrijker zaken om je druk over te maken? Nou ja vooruit, als het niet anders kan, verander dan van maatschappelijke status. Maar alleen dan! (1 Cor. 7 : 9)
  3. Of heeft het (ook?) te maken met de samenstelling van de ecclesiai, de gemeenten? Ingebed als zij waren als een associatie in de grieks-romeinse maatschappij van Paulus’ dagen, zou het immers maatschappijontwrichtend kunnen werken wanneer de gelijkwaardigheid die er in de ecclesiai (“in Christus”) is, ook maatschappelijk wordt gepraktiseerd. Jammer maar helaas voor Onesimus wanneer hij van Filémon níet de kans krijgt om vrij man te worden. (zie vers 21b en de brief aan Filémon).
  4. Trouwens, waarom blijven hier de vrouwen buiten beeld die o.a. in Galaten 3 : 28 nadrukkelijk wel worden vermeld?
  5. Een andere mogelijkheid is dat naast de eerder genoemde ook theologische overwegingen een rol spelen. Zou het niet een ontkennen zijn van de fundamentele gelijkwaardigheid van ieder mens voor God, wanneer je de staat van je roeping zou veranderen? Wanneer jouw staat van leven goed genoeg is voor de Eeuwige, waarom dan niet voor jou?

Joden en niet-Joden.

In dit digi-leerhuis richten we ons vooral op de eerste praktische toepassing van de universele regel. In 1 Corinthe 7: 18 gaat het over de verhouding van Joden en niet-Joden “in Christus”. Wanneer ieder in zijn roeping moet blijven, dan kan dat niet anders betekenen dan dat Joden, ook “in Christus”, Jóden blijven en dus als leden van de ecclesia geroepen zijn de geboden te onderhouden. Omgekeerd zijn niet-Joden welkom “in Christus” zonder door de besnijdenis bij Israël te zijn ingelijfd. Dus ook zonder de verplichting om alle geboden te doen. Kortom: ook “in Christus” blijven de socio-ethnische verschillen bestaan. Ook rond deze constatering doemen belangrijke vragen op.

  1. Hoe universeel is het heil volgens Paulus? Geen mens is rechtvaardig (Rom. 3: 11) maar desalniettemin wordt heel Israël behouden (Rom. 11: 26) terwijl dat slechts geldt voor de volheid van de volken (Rom. 11: 25) d.w.z. de niet-Joden die “in Christus” geroepen zijn. Met andere woorden: niet-Joden moeten kennelijk “in Christus” zijn terwijl Israël als zodanig wordt behouden.
  2. Of zou Paulus zich ook hebben thuis gevoeld bij de theologie van Matteus? Vergelijk Matteus 25: 31-46 en 1 Cor. 7: 19.
  3. Wanneer in discussies over de ernstige problemen in Israël en Palestina gezegd wordt dat er geen onderscheid meer is tussen Jood en Griek, is dan ook het verschil tussen mannen en vrouwen opgeheven?
  4. De theologische onderbouwing van de mogelijkheid om niet-Joden tot de gemeente van Christus toe te laten zonder hen tot het Jodendom te hoeven bekeren, wordt veelal gezien als de geniale omwenteling die Paulus teweeg bracht: zij worden gerechtvaardigde door het geloof. Paradigma is de geschiedenis van Abraham. (Zie Rom. 3 en 4 en Gal. 3) Deze problematiek komt overigens alleen in Romeinen en in Galaten aan de orde. Wat betekenen die woorden voor u?
  5. Wat vindt u van andere vertalingen/omschrijvingen? Bijvoorbeeld: ook niet-Joden zijn door hun vasthoudende geloofsvertrouwen in Gods ogen legitiemleden van het lichaam van Christus.
  6. In de loop van de eeuwen zijn de niet-Joden de absolute meerderheid gaan vormen in de langzamerhand ontstane kerk. Wat denkt u van de positie van de hedendaagse Joden die Jezus volgen? Zijn zij de voortzetting van de Joden in de vroeg-christelijke gemeenten?

Tot slot.

In de loop van tweeduizend jaar christelijke kerk – en daarin van vijfhonderd jaar Reformatie – is veel van de oorspronkelijke setting van Paulus’ gemeenten verloren gegaan. De kerk is een heidense aangelegenheid geworden. Terwijl de apostel van de volkeren regelingen moest treffen voor allerlei ongewone situaties die ontstaan wanneer Joden en niet-Joden in één en dezelfde “vereniging” als gelijkwaardige leden samen komen. Met name de eerste brief aan de Corinthiërs staat vol met deze praktische aanwijzingen. Want ook de niet-Joden konden nu gelegitimeerd deelnemen aan de gemeente zonder de geboden te onderhouden. Ze moesten zich echter wel degelijk verre houden van afgodendienst en alles wat daarmee samenhing. En in de grieks-romeinse wereld hing heel veel samen met de dienst aan de goden! Kortom, na de rechtvaardiging/legitimering volgde de opdracht om een rein en onberispelijk leven te leiden tot de dag van de Heer. Ook hier zijn een aantal vragen te stellen.

  1. De Joden “in Christus” die in Galatië wonen worden opgeroepen de niet-Joodse leden van de gemeente te aanvaarden zonder dat zij Jood worden. Omgekeerd worden de niet-Joden in de gemeente van Rome worden opgeroepen om hun Joodse medegelovigen te aanvaarden in hun Joods zijn. De wederzijdse aanvaarding heeft tot grondslag de regel dat ieder in zijn eigen roeping blijft. Wat betekent deze levenspraktijk voor ons?
  2. In kerken van de Reformatie is niet altijd even veel aandacht geschonken aan het werk van de Geest die over alle vlees – d.w.z. over Joden en niet-Joden – is uitgestort. Voor Paulus is dat de ultieme reden waarom ook niet-Joden de geboden van God kunnen doen (1 Cor. 7: 19). Zou er een soort Thora voor de volkeren moeten zijn, meer dan de vier Noachidische geboden die in Handelingen 15 ook aan de niet-Joden worden gegeven?
  3. Trouwens, zou de Jood Paulus zich aan zijn eigen regel hebben gehouden en trouw aan de Thora zijn gebleven? (Hand. 21: 17-26 en 22: 3). Eens Zeloot, altijd Zeloot! Galaten 1: 14 zou dan geen verleden tijd zijn maar voor de apostel der volkeren vanzelfsprekende, blijvende verbondenheid met zijn volk.

In 1 Corinthe 7: 17-24 komt veel van het gedachtegoed van de apostel Paulus tot uiting. Ik ga graag daarover verder met u in gesprek in het digitale leerhuis.

Drs. Dick Pruiksma

Emeritus predikant PKN, lid van de Protestantse Raad Kerk en Israël.
Voorheen voorzitter van het Overlegorgaan van Joden en Christenen in Nederland (OJEC, 1994-2004) en algemeen secretaris van de International Council of Christians and Jews. (ICCJ, 2006-2013).

Hand in eigen boezem steken

Naäman (2 Koningen 5), generaal in Aram (Syrië), was een man van aanzien. Maar tegelijkertijd ook niet: hij had immers huiduitslag (tsaraät – soms vertaald met huidvraat of melaatsheid). Een krijgsgevangen Joods meisje, in dienst van zijn vrouw, zegt dat de profeet in Samaria – Elisja – hem kan genezen.

Naäman gaat naar de koning. Die zegt hem: ‘Ga! En neem een brief mee voor de koning van Israël.’ De koning van Israël leest de brief met het verzoek hem te genezen en wordt bang: ‘Ben ik dan God, om te doden en levend te maken?’ (zie Deuteronomium 32:39).
Elisja – niet genoemd in de brief – hoort dit en laat Naäman naar zijn huis te sturen.

Teken
Over de huiduitslag van Naäman lezen we: [Huiduitslag als consequentie] Voor hooghartigheid – dat is het geval bij Naäman, van wie gezegd is (2 Koningen 5:1): ‘Naäman, krijgsoverste […], was een groot man’. Wat wordt bedoeld met ‘groot’? Hij was hooghartig wat betreft zijn verdienste als krijgsoverste, en, als gevolg van dit, werd hij ‘geslagen met huiduitslag’. [Numeri Raba 7,5] Deze huiduitslag is kennelijk niet zomaar een ziekte, maar een gevolg van zijn hooghartigheid. Er zijn nog andere ‘oorzaken’ van huiduitslag:
[…] De plaag van huiduitslag komt over zeven zaken: over kwaadsprekerij, bloedvergieten, loze eden, ontucht, hooghartigheid, roverij en over zelfzucht’. [Babylonische Talmoed, Arachien 16a]

Omkeer
Naäman gaat, ten einde raad, naar Elisja’s huis. Die ontvangt hem niet, maar laat hem zeggen dat hij zich zeven maal in de Jordaan moet wassen om te genezen. Naäman voelt zich vernederd en wordt kwaad. Heeft hij hiervoor zo ver gereisd? De koning helpt hem niet en Elisja komt niet eens naar buiten! Om zich enkel te wassen in een rivier had hij toch niet hoeven komen (vers 12)! Als hij kwaad weggaat, zeggen zijn knechten: ‘Mijn vader, als de profeet je had gezegd iets groots [te doen], zou je het dan niet gedaan hebben? Hoeveel te meer nu hij je gezegd heeft: was je en word rein!’ (vers 13).
Naäman komt terug, daalt af en dompelt zich zeven maal onder in de Jordaan. Hij daalt af – laat zijn arrogantie varen – en geneest!
Hij gaat naar Elisja en zegt: ‘Zie, nu weet ik dat er geen God is op heel de aarde dan in Israël!’ (vers 15). En hij neemt een karrevracht aarde mee voor een altaar voor de God van Israël. Want andere goden wil hij niet meer dienen!

Leerproces
Huiduitslag als een leerproces komen we ook bij Mozes tegen. Als de Eeuwige Mozes voor de derde keer roept (Exodus 3:15vv), reageert Mozes met de woorden: ‘Maar zij zullen mij niet vertrouwen, noch mijn stem horen […]’ (Exodus 4:1). Hierover zegt de midrasj:
Mozes deed hetzelfde als de slang, die kwaad sprak over zijn Schepper, zoals gezegd is: ‘God weet dat ten dage dat jij daarvan eet, jouw ogen geopend zullen worden en jij zult als God zijn, kennende goed en kwaad’ (Genesis 3:5). En evenals de slang is geslagen, zal hij geslagen worden. […] ‘En de Eeuwige zei: Steek nu je hand in je boezem’ (Exodus 4:6). Hij zei hem: Toen de slang kwaad [over Mij] sprak, sloeg Ik hem met huiduitslag, zoals gezegd is: ‘Vervloekt ben je onder alle dieren’ (Genesis 3:14) en [als uitleg: die vervloeking heeft betrekking op huiduitslag] zoals gezegd is (Leviticus 13:51): ‘een vervloekte huiduitslag’. […]
Evenzo verdien jij het om met huiduitslag geslagen te worden. […] ‘Hij stak zijn hand in zijn boezem en hij trok hem eruit en ziet, zijn hand was met huiduitslag wit als sneeuw’ (Exodus 4:6). Hij kreeg wat hij verdiend had, want hij had kwaad gesproken [over Israël]. [Exodus Raba 3,12-13]

Het teken van de huiduitslag moest niet enkel Israël overtuigen, maar ook Mozes duidelijk maken dat hij ongepast sprak toen hij het volk valselijk beschuldigde (zie ook Exodus 3:18). Daarom moest hij ‘de hand in eigen boezem steken’, bij zijn geweten te rade gaan! Vandaar:
Wat is de betekenis van: ‘Dit is de Tora voor degene met huiduitslag (metsora)’ (Leviticus 14:2)? [Het betekent:] Dit zal de leer zijn voor hem die lastert (motsi sjem ra). [Babylonische Talmoed, Arachien 15b]

Soms kun je van huiduitslag leren dat je verkeerd bezig bent.

Opdracht
Wat vindt u van de gedachte dat huiduitslag een gevolg kan zijn van een bepaalde handeling of innerlijke houding?

Henk Scholder
Meer informatie: www.stichtinglev.nl

Israelzondag 2017

Detail van een frescoopmerkingen bij het landelijke materiaal door ds. Marien Grashoff

Traditiegetrouw is de eerste zondag van oktober in de Protestantse Kerk in Nederland gewijd aan de verbondenheid met de oorsprong van het christelijk geloof: het geloof van Israël en het Joodse volk. Israëlzondag noemen we dat. Daarvoor stelt de landelijke kerk materiaal beschikbaar.

Ik wil graag een kritische aanvulling geven bij het exegetische materiaal van dit jaar. Deze bijdrage doe ik ook namens de Provinciale Werkgroep Kerk & Israël Noord. De schriftlezingen op 1 oktober zijn uit Ezechiël 18,1-4 en 25-32 en Matteüs 21,23-32. In Matteüs wordt Jezus gevraagd naar zijn ‘bevoegdheid’ of ‘volmacht’. Daarachter zit het Griekse woord exousia en daar heb ik wat uitvoeriger naar gekeken.

Het volledige verhaal staat op de website van ds. Marien Grashoff. https://www.marnel.net/2017/09/israelzondag-2017/

Samenvatting

Exousia betekent in de eerste plaats ‘volmacht’. Het gaat er dus om vanwaar een bepaalde macht komt en derhalve wat de aard van die macht is. Het gaat niet om krachtpatserij, heerschappij of bovenaards machtsvertoon. Daarvoor zijn in de bijbel woorden als dunamis of kratos gereserveerd. In het gesprek met de priesters en oudsten in Matteüs 21 wijst Jezus op twee gezichtspunten: ‘van hemel uit’ (ex ouranou) of ‘van (de) mensen uit’ (ex anthroopoon). Om zijn ‘macht’ goed te verstaan moet je ‘van hemel uit’ durven kijken.

Dat exousia nogal uit verband gerukt kan worden blijkt bijvoorbeeld uit de manier waarop Matteüs 28,18 doorgaans wordt gelezen: ‘MIJ is gegeven ALLE MACHT in de hemel en op de aarde!’ Dat toont Jezus als opperste macht van alles, ‘Jesus Christ Superman’, maar dat bedoelt hij zelf nou net niet te zeggen. De nadruk ligt namelijk op het ‘gegeven worden’ van die ‘macht’ en daardoor juist op het feit dat het om ‘volmacht’ gaat.

Jezus’ leerlingen krijgen dus op de valreep van het evangelie de opdracht om op die manier de werkelijke machten waaraan zij zijn blootgesteld te bezien ‘van hemel uit’, dat wil zeggen: als machten die uiteindelijk ook beperkt zijn. Om dat concreet te maken worden zij opgeroepen het goede te doen en niet mee te doen met het kwade dat die machten teweegbrengen. En via de leerlingen worden ook gelovigen vandaag net zo aangesproken.

Hebreeuwse eendagsvliegers met dr. Piet van Midden

Dr. Piet van Midden (TSCT, Tilburg University, locatie Utrecht) verzorgt sinds enige tijd zijn z.g.n. ‘Efemeriden’.

Van maandag tot en met vrijdag geeft Dr. Piet van Midden in een video van ongeveer 8 minuten een korte verdieping in een paar regels Hebreeuwse tekst.

Vanuit zijn grote deskundigheid leest en analyseert hij de Hebreeuwse tekst vanuit de grammatica en bijbelse context.

Op geheel eigen wijze – vaak meditatief en humoristisch – laat hij u delen in zijn passie voor de Hebreeuwse taal.

Na aanmelding ontvangt u de Efemeriden dagelijks in uw mailbox.

 

Van harte bij u aanbevolen!