Postscriptum bij de Israëlzondag 2019

Postscriptum bij de Israëlzondag 2020

Eeuwenlang kende de kerk geen Israëlzondag. Waarom zou ze? Zij meende dat zij het ‘ware Israël’ was en niet de Joden. Maar sinds de grootste pogrom ooit (wat we later de Shoah of Holocaust zijn gaan noemen), is de kerk geschrokken van haar eigen aandeel daarin en van de nalatigheid om voor de Joden in de bres te springen. Sindsdien zoekt ze naar een andere, positieve verhouding tot het Joodse volk en zijn traditie. Dat doet ze o.m. door jaarlijks op de eerste zondag van oktober haar Israëlzondag te vieren.

Waarom op de eerste zondag in oktober? Meestal wordt de keuze van deze dag in verband gebracht met de grote Joodse najaarsfeesten. De kerk viert dan even met de synagoge en het Joodse volk mee – als concrete uitdrukking van de kerkordelijk vastgelegde ‘onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël’ .

Maar alle jaren heb ik er een dubbel gevoel bij. Telkens als de Israëlzondag voor de deur staat en ik de betreffende kerkdienst aan het voorbereiden ben, voel ik een sterke aandrang om ook te vertellen wat er in 1942 op de sjabbat voorafgaand aan de eerste zondag in oktober gebeurd is. Het is, wat Lou de Jong in zijn ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog’ deel VI, hoofdstuk 4 noemt: ‘Jodendeportaties, tweede fase’. Op vrijdag en zaterdag 2/3 oktober 1942
werden niet alleen de ruim veertig joodse werkkampen ontruimt en alle 5242 daar te werk gestelde joodse mannen naar Westerbork gedeporteerd, maar tegelijkertijd werden ook hun vrouwen en kinderen, verspreid wonend over 85 verschillende Nederlandse gemeenten, uit hun huizen gesleept en eveneens op transport gesteld naar Westerbork: 3911 vrouwen en 8877 kinderen. Dat gebeurde er dus in 1942 aan de vooravond van wat we later – o.m. daardoor! – de
Israëlzondag zouden gaan noemen. Lou de Jong citeert het relaas van een Meppelaar:

‘Een ding wat ik mij mijn hele leven zal blijven herinneren, is het schouwspel van de samengedreven Joodse bewoners van Meppel op het Stationsplein en het wegvoeren van een aantal van hen in een autobus; o.a. zag ik hier enkele speelmakkers tussen – vreselijk! Ook heb ik gezien dat mevrouw Godfried aan de Blankensteinweg al gillende uit haar huis werd gesleept.’ (pag. 239)

En een andere Meppelaar, die zich bij het station ophield, vertelt:

‘Van enige daadwerkelijk controle van de zijde van de politie was geen sprake …Op het perron werd het mevouw Wolf te machtig. Ze had haar baby bij zich, hield die omhoog naar de kijkende mensen, roepend: “Mensen, neem toch mijn baby! Red die toch!” Niemand durfde. Zo ging een groot deel van de Joodse Meppelaars naar Westerbork.’ (pag. 239-240)

En dan te bedenken dat het op 2/3 oktober 1942 niet alleen sjabbat was, maar ook Jom Kippoer. Afgelopen oktober vielen de Israëlzondag en Jom Kippoer opnieuw bijna samen, twee dagen na elkaar. Ik zou die zondag preken in de Maartenskerk in Doorn en had een uitgeschreven tekst klaar om voor te lezen bij de inleiding op de dienst. Maar ik vreesde een slagschaduw te werpen over de kerkdienst waarin ik als gastpredikant zou voorgaan, en schrapte de tekst. Maar vlak voor het gebed om de Geest kwam het er spontaan uit. Ik deelde mijn verlegenheid met de gemeente, en bad daarna onderstaande woorden uit Psalm 36:

Hoe dierbaar is Uw liefde, God,
mensen zoeken bescherming
in de beschutting van Uw vleugels.
Zij laven zich aan de weelde van Uw huis.
U laat ook ons drinken uit Uw rivier van vreugde.
Bij U is de bron van het leven,
door Uw licht zien wij het licht.
Laat nu Uw liefde blijvend zijn voor wie U kennen
en Uw rechtvaardigheid voor de oprechten van hart.

Opnieuw ervoer ik, wat ik allang wist maar waarvoor ik meestal terugschrik: dat een kerkdienst voor het aangezicht van de Eeuwige ruimte biedt om zowel het één als het ander te noemen.

Reinier Gosker