Spiegelmoeders

Boekbespreking, Wike Spoelstra-Postmus

Judith van der Wel, Spiegelmoeders, een verzwegen familiegeschiedenis.

In 2010 komt Judith van der Wel terecht in de pedicurestoel van Fia Waagenaar. Zij vertelt haar nietsvermoedend dat ze voor haar afstudeerscriptie voor Religiestudies wil onderzoeken wat ” Joods zijn” betekent voor mensen van verschillende generaties en hoe die betekenis in de loop van hun leven veranderd is. Ze zoekt nog een grootmoeder, een dochter en een kleindochter. Via Fia komt Judith in contact met Judy en Selly, een eeneiige tweeling, die in negen concentratiekampen hebben gezeten maar daar nooit over praten. Fia vraagt ook haar dochter Rosalie. Een paar jaar na haar afstudeerscriptie hervat van der Wel voor dit boek de gesprekken met de tweeling, de dochter, kleindochter en kleinzoon. Het was de bedoeling dat in het boek niet de echte namen zouden komen. De tweeling wilde min of meer verborgen houden dat ze Joods waren. Maar na de eerste gesprekken voor de scriptie en later voor dit boek werden ze ontspannener. Het was Fia die op een gegeven ogenblik zei: Met die andere namen is het net alsof het niet over ons gaat. En in de oorlog zijn al zoveel namen uitgewist. De zoon van Selly wenste niet aan het boek mee te werken.

De tweeling Judith( Judi) en Sara ( Selly) is geboren in 1927. Hun moeder Sophia ( Fia) runde na de dood van haar moeder als oudste dochter het huishouden van haar vader. Haar leven als levenslustige jonge vrouw veranderde toen ze de slaapziekte kreeg. In dezelfde tijd dat er miljoenen wereldwijd stierven aan de Spaanse griep woedde ook de slaapziekte ( encephalitis lethargica), alleen veel langer tot midden de twintiger jaren. Fia ligt 6 weken in coma en als ze hersteld is, is ze veranderd in een ontzettend lieve maar ook stille en passieve vrouw. Ze raakt in 1926 in verwachting, vader onbekend. Ze is niet in staat de tweeling op te voeden. Die taak nemen de tantes op zich. In  begin 1943 worden moeder en de tweeling op transport gezet naar het nog niet helemaal afgebouwd kamp Vught. Intussen zijn opa, een oom en een tante al verdwenen naar Westerbork. In Vught komt de tweeling te werken in het Philips-Kommando. Tenslotte vertrekken ook de tweeling met hun moeder naar Auschwitz. Mengele heeft grote belangstelling voor deze eeneiige tweeling. Ze komen ook bij hem, maar op een of andere manier stuurt hij hen ook weer weg. Al direct bij aankomst in Auschwitz zijn van de vrouwen die in het Philips-kommando in Vught hebben gewerkt 250 uitgekozen om in de radiobuizenfabriek van Telefunken in Reichenbach ( Silezië) te werken. Ook de tweeling. Hoe de tweeling het steeds voor elkaar krijgt, het wordt niet helemaal duidelijk, ze weten steeds te voorkomen dat zij van hun moeder worden gescheiden. Op 18 februari 1945 begint voor hen de dodenmars  die voor hen eindigt  in Zweden. Voor de tweeling is de oorlog nooit afgelopen. Er is altijd iets in je leven….een geluid….iets wat je ruikt, wat je ziet. De pijpen van de hoogovens die ze zien vanuit hun woonplaats Zandvoort lijken op de schoorstenen in Auschwitz.

Terug in Nederland gaat het leven verder. Maar hoe gaat het verder? Er wordt getrouwd, er worden kinderen geboren. Maar er worden geliefden gemist.

Judith van der Wel beschrijft meer dan alleen het leven van de tweeling, hun dochter en de twee kleinkinderen. Ze begint bij opa Aaron. De intense armoede in de Jodenbuurten, de diamantindustrie.  De pseudowetenschappelijke rassentheorieën die in de 19.e eeuw opkomen. In 1796 kregen de Joden in Nederland burgerrechten en in 1814  werd het Ned. Israëlisch kerkgenootschap opgericht. Daarmee werd  de Joodse gemeenschap beschouwd als een geloofsgemeenschap die vooral moest assimileren. Abraham Kuyper typeerde de joden echter als: gasten in een christelijke samenleving die geen enkel politieke invloed zouden moeten uitoefenen. We horen van het ontstaan van de tuindorpen in Amsterdam. Het gezin van opa krijgt uiteindelijk een woning in Floradorp. De tweeling voelt zich daar voor het eerst ”Anders”. Ze worden daar gepest. Ze zijn blij dat ze uiteindelijk een woning krijgen op de Transvaalkade.

Van der Wel staat stil bij de vragen: Waarom duiken zoveel Joden niet onder? Als je de oorlog hebt overleefd hoe dan verder. Trauma’s? Psychische gevolgen? Erkenning voor wat je had meegemaakt? In de zestiger jaren komt daar steeds meer aandacht voor. Ed Hoornik  uit zijn misnoegen op een Auschwitzherdenking dat geïnterneerde verzetsstrijders wel een pensioen ontvingen en Joden niet.

De tweede generatie. De trauma’s van de ouders hebben hun weerslag op hun kinderen.  Ook daar gaat een aantal bladzijden over.

Fia stuurt haar zoon en dochter naar Joodse scholen terwijl ze zelf varkensvlees eet en de Joodse feesten niet viert. Ook de sabbat niet. Zoon Benjamin vraagt zich af waarom er nog steeds joden zijn die zich aan de oude wetten houden. Hij komt tot de overtuiging dat de reden daarvoor lag in “de saamhorigheid die in die wetten zit ingebakken. Ze gaan over samenleven, samen werken, de manier waarop je familieleven is ingericht, normen en waarden. Hij vermoedt dat de gemeenschappelijke basis  de grondslag is voor de hechte Joodse gemeenschap. Rosalie komt graag in Israël. Toen ze er voor het eerst kwam , het gevoel: hier wordt niet gediscrimineerd, hier weten ze hoe het is MIJ te zijn. Ze had het gevoel dat ze thuiskwam.

Het laatste hfd gaat over Niet-Joods, Joods hoe Joods. Het vinden van een huwelijkspartner valt niet mee. Vader-Joden zijn geen Joden ook al houden ze zich aan de wetten.  Zou het “Jood zijn” volgens de vader zijn gegaan dan waren Selly en haar zoon, Judi en dochter Fia  geen jood.

De tweeling Selly en Judy is in 2016 door Jeroen van den Eijnde, directeur van Nationaal Monument Kamp Vught overgehaald om op 4 mei 2016 in Vugt hun verhaal te vertellen. Selly las het voor, Judy stond  naast haar zus. Het verslag eindigt met: “Na 89 jaar nog steeds samen. Nog steeds met zorg voor elkaar. Nog steeds hebben we elkaar nodig. Genietend van de kleine dingen, van het alledaagse. En beiden zijn we trots op onze kinderen en kleinkinderen. Ja, we hebben nageslacht gekregen. Ooit absoluut onbedoeld, maar dat grote geluk en ook ander geluk, het is altijd te hervinden”.

Judith van der wel, Spiegelmoeder. Uitgegeven bij Em.Querido’s Uitgeverij BV, 2019