Synagogelezing door Bart Wallet

Christenen en het probleem van het antisemitisme
18 oktober 2018 synagoge Zuidlaren
spreker: dr. Bart Wallet, Amsterdam
13de synagogelezing

         Inleiding

‘Antisemitisme’ is een gelaagd thema, met veel actualiteitswaarde. Het is van alle tijden en plaatsen. Er is altijd een onderstroom van jodenhaat geweest. Anti-joodse beelden zijn deel gaan uitmaken van ons collectieve geheugen; we vallen er telkens op terug.
Tegelijkertijd is het politiek antisemitisme een relatief nieuw verschijnsel (ca. 1875). Deze ideologie put uit de onderstroom van jodenhaat.

         Opzet van de lezing

  1. Betekenis van de term – de bron – de relatie met het christendom
  2. Middeleeuwen en Reformatie, toegespitst op Nederland
  3. De 19de en 20ste eeuw

 

  1. De term ‘antisemitisme’

Het antisemitisme in Europa was en is alleen tegen joden gericht. Want in Europa waren de enige afstammelingen van Sem die daar woonden, de joden.
In 1875 komt de term ‘antisemitisme’ op. Een bepaalde politieke groepering ging zich ‘antisemitisch’ noemen. Op weg naar een betere samenleving in Europa keerde deze groep zich tegen de joden, want: joden zijn ‘de ander’. Joden verbreken de eenheid in de samenleving; zij zetten alles naar hun hand.

Naast dit politiek antisemitisme, dat dateert uit de 19de eeuw, bestaat het al veel oudere sociaal antisemitisme. Een vergaarbak waarin allerlei anti-joodse beelden en overtuigingen verzameld zijn. We zijn ons niet altijd van dit gedachtegoed bewust, maar opeens, in een concrete situatie, komt het boven. Bijvoorbeeld: de bankencrisis, de Lehman Brothers Bank. Joden en geld gaan altijd samen… En stereotiepen, zoals ‘het joodje’ in de literatuur van vóór 1950.

Naast het politiek en het sociaal antisemitisme bestaat er nog een derde vorm: het religieus antisemitisme. De discriminatie van joden op religieuze gronden. Hoe is deze discriminatie ontstaan?

 De verhouding tussen jodendom en christendom

Wallet ziet deze verhouding als die tussen tweelingbroers.
De Grieken en Romeinen hadden enerzijds respect voor de joodse cultuur want die was net als die van hen eeuwenoud. Anderzijds vonden zij de joden lastig. Judea was een lastig gebied, bewoond door onrustzaaiers.
In het jaar 70 wordt de tempel in Jeruzalem verwoest. Het centrum van het jodendom is daarmee verdwenen. Van de vijf tot dan bestaande stromingen in het jodendom verdwijnen er drie: de Sadduceeën, de Essenen, de Zeloten. Over blijven de Farizeeën en de Jezusbeweging. En deze twee gaan elk hun eigen weg. De beide tweelingbroers worden twee religies. Beide vinden zij hun eigen antwoord op het wegvallen van de tempel.

In het rabbijnse jodendom (< Farizeeën) neemt het gebed de plaats in van de offerdienst. In het ochtend-, middag- en avondgebed worden passages uit de Torah over de offers opgenomen.
In de Jezusbeweging komt hét offer centraal te staan: het offer van Christus. Lees Hebreeën! Aan het altaar draagt de priester het offer op: de eucharistie.

De tempel in Jeruzalem is dan wel verwoest, maar in zowel het jodendom als in de Jezusbeweging is de tempel flexibel geworden. De tempel kan overal zijn.

Nog steeds zijn dan jodendom en christendom twee minderheidsgroepen in het Romeinse Rijk. En voorlopig, tot ongeveer 600, zijn ze nog met elkaar in gesprek.
Maar al in het begin van de tweede eeuw schiet dé wortel van het antisemitisme op: de beschuldiging van Godsmoord aan het adres van de joden. “Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.” Matteüs 27:25

Een exponent is Melito van Sardes, 180, en later Chrysostomus. Augustinus e.a. zien nog wel wat positiefs in de joden: hun kennis van het Hebreeuws.
Vanaf Constantijn de Grote, in de vierde eeuw, wordt het Romeinse Rijk langzamerhand christelijk. De kerk krijgt macht. De kerk, die “uit alle volken” is. Het jodendom kiest ervoor de band tussen volk en religie vast te houden.
De vraag daarbij: wie is de echte opvolger van het aloude jodendom? Wie is het ‘ware Israël’? Zowel het rabbijnse jodendom als het christendom grijpen voor hun legitimatie terug op het verhaal van de tweelingbroers Jakob en Esau. Wie is het verus Israel?

  1. Middeleeuwen en Reformatie

De Middeleeuwen ca. 1000

De crucifixen tonen steeds meer het bloed van Jezus. Het zgn. bloedsprookje ontstaat. Joden zouden het bloed van christenkinderen gebruiken voor de bereiding van de matzes voor Pesach.

De latere Middeleeuwen

Er werd een koppeling gelegd tussen joden en geld. De joden mochten geen onroerend goed bezitten. Ook mochten ze geen lid van de gilden zijn.
Zij kregen het monopolie op de geldhandel. Want zij mochten, in tegenstelling tot de christenen o.g.v. hun interpretatie van een tekst uit Deuteronomium, wèl rente vragen. Zo kregen de joden de naam van woekeraars.

De Reformatie

Gaat de Reformatie nu het verschil maken? Nee, niet echt.
1517: Luther staat aan de basis van de vrijheid, ook voor die an de joden. “Dass Jesus Christus ein geborener Jude ist.”
De gedachte van Luther was: Nu de kerk hervormd is, moeten de joden toch wel christen worden. Jezus was een jood, dus wat let jullie joden om christen te worden? Maar zijn houding wordt steeds negatiever. Joden staan voor de wet, net als de katholieken, de protestanten staan voor het evangelie. Ook de jonge Luther hanteert dit schema al.
Op het eind van zijn leven verwijst Luther in zijn boekje “Over de verborgen naam” naar een middeleeuws beeld aan de slotkerk te Wittenberg: een zeug die haar kinderen te drinken geeft, de joden….
Luther pakt dit beeld zonder kritiek op, net als het bloedsprookje. Hij schrijft tegen de joden om de christenen tegen hen te beschermen.

Later heeft de gereformeerde theoloog Voetius (17de eeuw) het nog steeds over de Godsmoord, het bloedsprookje, en ‘joden zijn afpersers’.

De Reformatie bracht wel iets positiefs: de Bilblia Rabbinica, 1517 Venetië, uitgave van Bomberg. Een gezamenlijk project van joden en christenen op basis van Hebreeuwse teksten (Torahrollen) uit Spanje en Portugal. Deze bevatten de Hebreeuwse Bijbeltekst plus commentaren van rabbijnen.
Het was een revolutionaire verandering! De grondtekst van de Bijbel werd gebruikt, niet meer de Latijnse Vulgata, en zo veranderde de canon. De deutero-canonieke boeken waren niet langer meer gezaghebbend.
De dominees leerden de originele Bijbeltekst in het Hebreeuws en Grieks, met rabbijnse commentaren. De kanttekeningen uit de Statenvertaling (1637) zijn selecties uit deze rabbijnse commentaren.

  1. Negentiende en twintigste eeuw

Tot 1796 was Nederland een lappendeken wat de tolerantie ten aanzien van de joden betreft. In Amsterdam, Leeuwarden, Zwolle mochten joden wonen. In Zwolle waren zelfs de gilden voor hen toegankelijk. Utrecht, Deventer, Tilburg waren voor joden verboden. In Drenthe was het aantal joden wettelijk gelimiteerd. Slechts een paar joden woonden er.

Ca. 1875 was het politiek antisemitisme opgekomen. In de christelijk-sociale traditie wordt sociaal antisemitisch gedachtengoed zichtbaar.

Er lag een sociaal probleem in de samenleving. De eenheid van het volk is weg. Er is individualisering, armoede, ontmenselijking. De wortel van dit probleem ligt in de Franse revolutie. Daar dacht men vanuit het individu, en niet vanuit groepen. Er zijn alleen nog maar ‘burgers’, en die zijn allemaal gelijk!

De christelijk-sociale traditie – waaruit de anti-revolutionaire partij is ontstaan – keerde zich tegen de beginselen van de Franse revolutie en zag een probleem. Want waar blijft de samenleving, als het alleen maar om het individu gaat? Voor de christelijke samenleving die zij beleed, waren joden een probleem, want zij maakten inbreuk op die samenleving. Maar ze moeten wel gelijkwaardig zijn vanuit het revolutionaire beginsel… Hoe dit probleem te hanteren?

Het Réveil. Er is verschil tussen het Amsterdamse en het Haagse Réveil.

Da Costa (Amsterdam) zag het als zijn taak christenen te genezen van het antisemitisme. Groen van Prinsterer en later Hoedemaker (Den Haag) wilden de christelijke identiteit van de natie beschermen.

Abraham Kuyper vond dat de joden te veel invloed hadden, o.a. in het bankwezen. Maar hij zette de stap naar het politiek antisemitisme niet. Hij was een voorstander van pluralisme: mèt de rooms-katholieken en mèt de joden.

De Christelijk-Historische Unie wilde het oude karakter van het hervormde volk herstellen. Hoedemaker: Nederland is een protestantse, hervormde natie; joden zijn geen onderdeel van de Nederlandse natie. Ze wonen hier wel, maar als gasten. Ze vormen een eigen, aparte natie.

Deze toch antisemitische ideeën zijn niet opgenomen in de partijprogramma’s. De enige partij in Nederland die ooit echt antisemitisch is geweest, was de NSB.

De Wereldraad van Kerken, die dit jaar 70 jaar bestaat, stelde in zijn verklaring bij de oprichting in 1948: “Antisemitisme is een zonde tegen God”.

In 1968 is de pauselijke encycliek Nostra Aetate uitgevaardigd. Daarin werd de beschuldiging van Godsmoord ingetrokken.

         Uitleiding

Het is een blijvende opdracht aan kerk en christenheid: hoe verbinden wij ons als gelovigen in Christus met de joden, met Israël?

Deze samenvatting van de lezing van dr. Wallet is gemaakt door Ineke Thurkow. Ze heeft daarvoor tevoren toestemming gekregen van dr. Wallet. De toestemming geldt ook de plaatsing op www.kerkenisraelnoord.nl