U grijp ik bij uw kleren

U grijp ik bij uw kleren

In het Liedboek Zingen en bidden in huis en kerk staat een tweetal liederen van Anton Metske. Lied 524 en 938. Ze raken mij telkens weer als ik ze lees en zing. Laat zingen ook, want dat is het voorrecht  van een dominee J . De beeldspraak, de hartstocht in deze teksten. En bij lied 938 blijf ik haken bij de regel “U grijp ik bij uw kleren”. Heeft Metske dat gehaald uit de profetie van Zacharja? Hoofdstuk 8:23. “Als die tijd is gekomen, zullen tien mannen uit volken met verschillende talen een Joodse man bij de slip van zijn mantel grijpen met de woorden: ‘Wij willen ons bij u aansluiten, want wij hebben gehoord dat God bij u is’.”

Een visionaire profetie, over de tijd dat God bij zijn volk zal wonen, dat Jeruzalem het centrum van de wereld zal zijn, dat niet-Joden ook verlangen te delen in de zegen van God over Israël, en een Joodse man vastgrijpen om met hem mee te gaan.

Tien niet-Joodse mannen, één Jood. Is dat die ene Jood over wie Metske dicht? Metske noemt zijn naam: Christus. Ik denk dat het elke Jood kan zijn. Maar naar Christus zijn wij genoemd. Jezus, die de Schriften van zijn volk opende en er zich in hult, dichterlijk gesproken. Metske heeft het prachtig verwoord. Lees lied 938 en daarna ook 524, een dooplied.

Christus die u wilt tooien
in het gewaad der schrift,
ik berg mij in haar plooien
Met mijn bestaan op drift,
met mijn gemiste kansen,
mijn schaamte en mijn spijt,
mag ik mij daar verschansen.
Uw woord alleen bevrijdt.

Christus die u bekleed hebt
met wat geschreven staat,
en die terdege weet hebt
van wat mij lijden laat,
U grijp ik bij uw kleren
           en laat niet los tenzij
Gij u tot mij wilt keren,
uw zegen legt op mij.

Beilen, 31 januari 2019
Ineke Thurkow-Wierenga